Nieuws

APR in gelijk gesteld door Commissariaat voor de Media inzake Arte

Op 29 maart 2005 heeft het Commissariaat voor de Media uitspraak gedaan in de door de APR aangespannen procedure tegen de kabelexploitant inzake ARTE. UPC wenst het door de APR uitgebrachte advies omtrent ARTE niet op te volgen en naar de mening van de APR is dat in strijd met de Mediawet. Het Commissariaat voor de Media heeft met zijn uitspraak de APR in het gelijk gesteld en geoordeeld dat er voor UPC geen zwaarwegende redenen zijn om af te wijken van het advies van de APR. Bovendien heeft het Commissariaat besloten de kabelexploitant een boete op te leggen van 100.000,-- indien UPC niet vr 1 september 2005 het advies van de APR opvolgt.

Lees hier de gehele uitspraak

Het Commissariaat voor de Media



Gezien het verzoek van de Stichting Algemene Programma Raad bij brief d.d. 22 december 2004 tot bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde in artikel 82k, vijfde lid, van de Mediawet ter zake van het uitzenden van het programma ARTE door UPC Nederland B.V.,



Gelet op de artikelen 82k, 134 en 135 van de Mediawet,



Gelet op de Beleidsregels inzake afwijken door aanbieder van een omroepnetwerk van programmaraadadvies (handhaving van artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet) d.d. 9 oktober 2001,



Overwegende:



Procedure



Bij brief d.d. 22 december 2004, ontvangen op 23 december 2004, verzoekt de Stichting Algemene Programma Raad (hierna: APR) het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat) om UPC Nederland B.V. (hierna: UPC) de Mediawet te doen naleven met betrekking tot het volgen van haar Advies Kabelplan Televisie 2004-2005 (hierna: Advies) inzake het programma ARTE. Bij brief d.d. 6 januari 2005 verzoekt het Commissariaat, gelet op het bepaalde in artikel 2.2., onder b, van de Beleidsregels inzake afwijken door aanbieder van een omroepnetwerk van programmaraadadvies (hierna: Beleidsregels), UPC de motivering, die aan haar standpunt over het niet opvolgen van het advies van de APR ten grondslag ligt, aan hem te doen toekomen. UPC deelt telefonisch mee dat zij haar standpunt tijdens de hoorzitting nader zal toelichten.



Op grond van het bepaalde in artikel 4:7 en artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het Commissariaat de APR, UPC en de aanbieder van het programma ARTE op 21 januari 2005 gehoord. De Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA) heeft afgezien van de, op grond van artikel 2.3., onder c, van de Beleidsregels geboden mogelijkheid te worden gehoord. Het verslag van de hoorzitting is aangehecht. In aansluiting op de hoorzitting heeft de APR bij brief d.d. 27 januari 2005 het Commissariaat nader genformeerd over de onduidelijkheid die tijdens de hoorzitting volgens de APR is ontstaan over de aanwijzing van een vervangend programma voor ARTE. Bij brief d.d. 1 februari 2005 heeft UPC het Commissariaat desgevraagd (tijdens de hoorzitting) de resultaten overgelegd van het onderzoek naar de behoeften en voorkeuren van de kabelabonnees inzake het televisieprogrammapakket in 2004. Bij brieven d.d. 10 en 18 februari 2005 hebben respectievelijk de APR en UPC gereageerd.



De relevante feiten



UPC is de aanbieder van het omroepnetwerk in de gemeenten Amsterdam, Abcoude (inclusief Baambrugge), Diemen, Loenen (alleen Nigtevecht), Oostzaan, Weesp, Landsmeer, Ouder-Amstel, Purmerend en Zaanstad. De APR is de door de raden van deze gemeenten ingestelde programmaraad, die UPC op grond van het bepaalde in artikel 82k, eerste lid, van de Mediawet adviseert welke 15 televisie- en welke 25 radioprogrammas ten minste worden uitgezonden naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk. Op grond van bepalingen in de overeenkomsten d.d. 6 juli 1995, waarbij genoemde gemeenten hun omroepnetwerken hebben verkocht aan (de rechtsvoorgangers van) UPC, adviseert de APR, voor wat betreft Purmerend, Zaanstad en Landsmeer (hierna: Overige Gemeenten) ook over de overige 12 televisieprogrammas van het standaardpakket, en voor wat betreft de andere betrokken gemeenten (hierna: Amsterdam plus) ook over de overige 17 televisieprogrammas van het standaardpakket.



Naar aanleiding van het Advies deelt UPC de APR bij brief d.d. 10 juni 2004 mee dat zij ten aanzien van ARTE mogen afwijken van het Advies. UPC verwijst daarbij naar het besluit d.d. 23 maart 2004 van het Commissariaat waarbij het verzoek van de Stichting Programmaraad Rotterdam (SPR) om bestuursrechtelijke handhaving van artikel 82k, vijfde lid, van de Mediawet jegens UPC, inzake het programma ARTE, is afgewezen. UPC verzoekt de APR voor ARTE een vervangend programma aan te wijzen. De beslissing d.d. 16 november 2004, waarbij het bezwaar van de SPR tegen zijn besluit d.d. 23 maart 2004 door het Commissariaat gegrond is verklaard, is aanleiding voor de APR aan UPC bij brief d.d. 24 november 2004 te verzoeken zo spoedig mogelijk tot het uitzenden van ARTE over te gaan. Bij brief d.d. 21 december 2004 deelt UPC aan de APR mee nog niet aan haar verzoek te voldoen, omdat het UPC niet duidelijk is wat de gevolgen zijn van de bovenbedoelde beslissing op bezwaar van het Commissariaat.



Bevoegdheid



Op grond van het bepaalde in artikel 2.1, onder a en b, van de Beleidsregels kan het Commissariaat op verzoek van de programmaraad van wiens advies wordt afgeweken overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde in artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet, voor zover het gaat om het al dan niet opnemen van een programma in het wettelijk minimumpakket.



Standpunt APR



Bij besluit d.d. 23 maart 2004 heeft het Commissariaat het verzoek van de SPR om bestuursrechtelijke handhaving van artikel 82k, vijfde lid, van de Mediawet jegens UPC met betrekking tot het volgen van haar Advies Standaardpakket Televisie 2003-2004 afgewezen. Bij beslissing d.d. 16 november 2004 heeft het Commissariaat het bezwaar van de SPR tegen dit besluit gegrond verklaard. Gezien de omstandigheid dat het genoemde SPR-advies overeenkomt met het Advies van de APR zijn er voor UPC geen juridische beletselen meer om tot uitzending van het programma ARTE over te gaan. De door UPC in haar brief d.d. 21 december 2004 opgenomen argumenten om het programma ARTE niet uit te zenden zijn niet zwaarwegend van aard.



Standpunt UPC



Uitzendbeleid en vergoeding auteursrechten

Het huidige beleid van UPC (opgenomen in Televisienota 2004-2005 d.d. 24 november 2003) is erop gericht dat programma-aanbieders moeten betalen voor alle rechten die samenhangen met de openbaarmaking van hun programmas bij analoge uitzending. Slechts de (Duitse, Belgische en Britse) aanbieders van publieke omroepprogrammas vormen hierop een uitzondering, omdat zij geen belang hebben bij uitzending in Nederland. Zij presenteren hun programmas dan ook niet bij programmaraden.



De programma-aanbieders SBS en HMG, maar ook die van ARTE, hechten belang (winstdoelstellingen) aan uitzending in Nederland. Voor wat betreft ARTE blijkt dat uit het feit dat het een samenwerkingsverband betreft, waarin een Duitse besloten vennootschap (Arte Deutschland TV GmbH) participeert. De aanbieder van het programma ARTE heeft bovendien in Nederland een agent aangesteld, geeft zich actief op voor uitzending in Nederland en presenteert zich desgevraagd bij programmaraden. Hij heeft belang bij uitzending in Nederland en moet dus, evenals onder meer SBS en HMG, zelf de daarmee gemoeide kosten dragen, inclusief de aan BUMA/STEMRA af te dragen vergoeding voor auteursrechten. Indien het Commissariaat besluit dat UPC de vergoeding voor auteursrechten moet dragen, dan maken ook andere programma-aanbieders aanspraak op deze behandeling. Het is geen hypothetisch risico, nu de aanbieder van het programma TV5 en de Nederlandse landelijke publieke omroep respectievelijk hebben aangegeven de auteursrechten niet meer te willen betalen als de aanbieder van ARTE dat niet meer hoeft en te overwegen de aanbieder van het omroepnetwerk te laten betalen voor uitzending.



Het betreft een vergoeding van 0,05 per programma per abonnee per maand; dit is 1,8 miljoen per jaar voor het gebied waar ARTE is geadviseerd en TV5 wordt uitgezonden en dit is 3 miljoen per jaar voor het gehele UPC-uitzendgebied. Dit heeft vergaande gevolgen voor de financieel economische exploitatie van het omroepnetwerk. Bedacht moet worden dat de gemiddelde abonnee niet snel bereid is een extra vergoeding te betalen voor een programma voor een beperkte doelgroep, zoals ARTE. De doorberekening van de door UPC te betalen auteursrechten in het abonnementstarief is niet alleen onaantrekkelijk voor de abonnees maar ook voor UPC. UPC moet weer verschillende tarieven per gemeente gaan hanteren, terwijl zij juist zo veel moeite heeft om tot n landelijk tarief te komen. UPC zou de marketingslag met haar concurrenten, die wel een landelijk uniform tarief kunnen rekenen, kunnen verliezen.



In tegenstelling tot Digitenne, KPN en de satelliet moet UPC een deel van haar omroepnetwerk ter beschikking stellen voor een gereguleerd aanbod (must carry). De achterstand in deze concurrentiestrijd wordt nog groter als UPC ook nog verplicht is programmas uit te zenden waaraan onvoorziene kosten zijn verbonden. In dit verband is het van belang dat in artikel 31 van de Universele Dienstrichtlijn de voorwaarde is gesteld dat een must carry evenredig en noodzakelijk moet zijn. UPC ziet niet in waarom bij de huidige stand van de markt, waarbij de consument kan kiezen uit verschillende programmapakketaanbieders en waarbij er een groot aanbod is van programmas waarvoor de aanbieders geen kosten in rekening brengen, nog noodzakelijk is dat de programmaraad een programma moet kunnen adviseren waarbij met het uitzenden kosten zijn verbonden.



Advies APR over wettelijk minimumpakket

Bij gelegenheid van de recente wijziging van artikel 82k van de Mediawet heeft de wetgever onder meer overwogen dat een aanbieder van een omroepnetwerk zich niet achter het advies van een programmaraad mag verschuilen en dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft. Hij dient bij ieder programma dat door de programmaraad in het wettelijke minimumpakket wordt geadviseerd de afweging te maken of er wellicht zwaarwegende redenen zijn om van dat advies af te wijken. Met inachtneming van deze verzwaring van de eigen verantwoordelijkheid is UPC van mening dat het advies van de APR de pluriformiteit van het wettelijke minimumpakket niet ten goede komt. Het advies, zoals aangevuld bij brief d.d. 24 november 2004, is bovendien ondeugdelijk gemotiveerd.



De APR adviseert om het programma ARTE op te nemen in het wettelijke minimumpakket ten koste van het programma The Box. Dit advies is ondeugdelijk gemotiveerd. Bovendien is onduidelijk hoe The Box plaats zou kunnen maken voor ARTE, nu The Box geen onderdeel uitmaakt van het wettelijke minimumpakket. Het had meer voor de hand gelegen indien de APR het programma RAI UNO (voor Amsterdam plus) en het programma National Geographic (voor de overige gemeenten) plaats had laten maken voor ARTE, nu zij deze programmas destijds in haar aanvullend advies bij brief d.d. 20 juli 2004 als vervangende programmas voor ARTE had aangewezen. Het advies van de APR om ARTE op te nemen in het wettelijke minimumpakket in plaats van The Box staat voorst haaks op de door de APR zelf geformuleerde uitgangspunten dat de auteursrechten en naburige rechten zijn geregeld en dat het programmapakket aantrekkelijk moet zijn voor een zo groot mogelijke groep abonnees. Tenslotte is het niet evident dat ARTE zoveel toevoegt aan het wettelijke minimumpakket. De Nederlandse en Belgische landelijke publieke omroepinstellingen, die een belangrijk deel vormen van het wettelijke minimumpakket, besteden al aandacht aan cultuur. Volgens de website van de programma-aanbieder van ARTE is hij bovendien gelieerd aan de Nederlandse, Belgische, Britse en Spaanse publieke omroep.



Standpunt Commissariaat



Algemeen

Ingevolge artikel 82k, eerste lid, van de Mediawet adviseert de programmaraad de aanbieder van een omroepnetwerk over de samenstelling van het verplichte pakket van 15 televisieprogrammas (en 25 radioprogrammas). Dit verplichte pakket wordt aangeduid als het wettelijke minimumpakket. In dit pakket dienen in ieder geval de programmas van de landelijke publieke omroepinstellingen, de regionale publieke omroepinstelling, de lokale publieke omroepinstelling en de Nederlandstalige publieke omroepinstellingen uit Belgi te zijn opgenomen Slechts om zwaarwichtige redenen kan de aanbieder van een omroepnetwerk van dit advies afwijken.



Het Commissariaat stelt vast dat de APR een programmaraad is als bedoeld in artikel 82k, eerst lid, van de Mediawet. De APR adviseert zwaarwegend over de 15 televisieprogrammas die UPC moet uitzenden (het wettelijke minimumpakket) en de APR is bevoegd te adviseren over de samenstelling van de overige televisieprogrammas die uitgezonden worden via het omroepnetwerk van UPC in Amsterdam plus (totaal 31 programmas) en Overige Gemeenten (totaal 26 programmas). Zoals hiervoor overwogen is het Commissariaat bevoegd te oordelen over verzoeken die betrekking hebben op opneming in het wettelijke minimumpakket, in het bijzonder op hetgeen is bepaald in artikel 82k, vierde en vijfde lid, van de Mediawet.



Artikel 82k, vierde lid, van de Mediawet schrijft voor dat onverminderd het bepaalde in artikel 82i van de Mediawet, de programmaraad in zijn advisering uitgaat van een pluriforme samenstelling van het pakket programmas voor algemene omroep, waarbij hij rekening houdt met de in de gemeente(n) levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. Voorts kan het Commissariaat op basis van het vijfde lid van artikel 82k van de Mediawet toetsen of er zwaarwichtige redenen zijn op grond waarvan de aanbieder van het omroepnetwerk van het advies van de programmaraad over het wettelijke minimumpakket kan afwijken dan wel had moeten afwijken.



Artikel 3 van de Beleidsregels geeft een aantal zwaarwichtige redenen aan die een afwijking van het programmaraadadvies kunnen rechtvaardigen. Hierbij is, aldus de toelichting op artikel 3, aansluiting gezocht bij hetgeen daarover in de wetsgeschiedenis naar voren is gebracht.



Zwaarwichtige reden als bedoeld in artikel 82k, vijfde lid, van de Mediawet

In de Nota naar aanleiding van het verslag (EK 1996-1997, 24 808, nr. 227b, blz. 5/6) wordt, voor zover hier van belang, met betrekking tot de in het tweede lid van artikel 82k van de Mediawet genoemde zwaarwichtige redenen, het volgende standpunt ingenomen:



Zwaarwegende redenen kunnen gelegen zijn in het in gevaar brengen van de financieel-economische exploitatiemogelijkheden van het kabelnet. Ook kan het zijn dat de auteursrechtelijke aspecten niet kunnen worden geregeld, ...



Het Commissariaat stelt vast dat UPC de aanbieder van het programma ARTE niet dezelfde status toekent als de Duitse, Belgische en Britse aanbieders van publieke omroepprogrammas. Immers, in tegenstelling tot laatstgenoemde programma-aanbieders, onderneemt de aanbieder van het programma ARTE, volgens UPC, activiteiten in Nederland en geeft daarmee aan dat hij belang heeft bij uitzending in Nederland. UPC meent dat deze programma-aanbieder, evenals onder meer SBS en HMG, daarom zelf de met de uitzending van zijn programma via een omroepnetwerk in Nederland gemoeide kosten moet dragen.



Het enkele feit dat moet worden betaald voor uitzending levert evenwel geen zwaarwichtige reden op in de zin van artikel 82k, vijfde lid, van de Mediawet. De wetgever beoogt niet te verbieden dat in bepaalde gevallen (verwezen wordt naar de programmas Eurosport, Discovery en Animal Planet) door de aanbieder van het omroepnetwerk een (geringe) vergoeding wordt betaald. Ook nu vergt de uitzending van het programma ARTE de betaling van een gering bedrag, welk bedrag overeenkomt met hetgeen andere aanbieders van omroepnetwerken betalen voor analoge uitzending van bovengenoemde programmas. Bovendien bevat het door de APR geadviseerde programmapakket niet zodanig veel dure programmas, dat de exploitatie van het omroepnetwerk in haar adviesgebied in gevaar zou kunnen komen. De voor de uitzending van het programma ARTE te betalen vergoeding is reeds op deze grond al geen reden voor UPC om van het APR-advies af te wijken.



Hoewel het Commissariaat in eerder besluiten heeft neergelegd dat vrees voor precedentwerking noch wijziging van distributiebeleid een zwaarwichtige reden oplevert om af te wijken van het programmaraadadvies, blijkt uit de Televisienota 2004-2005 dat UPC het algemene uitgangspunt hanteert dat geen vergoeding wordt betaald voor uitzending in het wettelijke minimumpakket en in het standaardpakket. Het lijkt erop dat dit voor UPC de enige weg is om alle programma-aanbieders gelijk te kunnen behandelen. Het beleid van UPC leidt er echter toe dat ongelijke gevallen gelijk worden behandeld. De specifieke kenmerken van de onderscheiden programmas neemt UPC niet of onvoldoende in aanmerking. Ook uit de Richtsnoeren van de OPTA en de Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa), en de praktijk van de OPTA, is niet af te leiden dat dit distributiebeleid van UPC nodig zou zijn.



Uit het distributiebeleid van andere aanbieders van omroepnetwerken blijkt dat het met het uitzenden van het programma ARTE gemoeide bedrag niet als onredelijk wordt aangemerkt en dat de betaling hiervan de exploitatie van het desbetreffende omroepnetwerk niet direct in gevaar brengt. Hierbij betrekt het Commissariaat de uitspraken (Financial Times, januari 2005) van John Malone, sinds de volledige overname van UGC door Liberty Media de bestuurder/eigenaar van UPC, dat Nederland het beste voorbeeld is van een lucratieve kabeltelevisiemarkt.



Artikel 31 van de Universele Dienstrichtlijn staat de lidstaten toe redelijke uitzendverplichtingen op te leggen aan aanbieders van omroepnetwerken. Duidelijk is dat de uitzendverplichting en de adviesbevoegdheid van de programmaraden niet ongelimiteerd kunnen worden uitgebreid. Echter van een dergelijke, met dit artikel strijdige, uitbreiding is geen sprake nu de APR in haar advies een programma opneemt waarvoor UPC, zoals hiervoor aangegeven, een bedrag is verschuldigd waarvan de hoogte niet als onredelijk wordt aangemerkt.



Advies APR over wettelijk minimumpakket



Naar aanleiding van het bij gelegenheid van de hoorzitting d.d. 21 januari 2005 door UPC naar voren gebrachte met betrekking tot de motivering van het advies en de pluriformiteit van het geadviseerde wettelijke minimumpakket heeft de APR bij brief met bijlagen d.d. 27 januari 2005 gereageerd. De APR geeft aan dat, na de mededeling van UPC dat ARTE niet zou (kunnen) worden uitgezonden, het programma Animal Planet voor het gehele adviesgebied als 1e reserve in aanmerking komt om de plaats van ARTE in te nemen. Vervolgens stelt de aanbieder van Animal Planet het programma niet beschikbaar voor analoge uitzending, waarna UPC, in afwachting van een nader advies van de APR, voor Amsterdam plus Euronews en voor Overige Gemeenten National Geographic als 2e reserve aanwijst. De APR acht dit een ongewenste situatie twee verschillende programmas uit twee verschillende rubrieken zijn aangewezen als vervanger van ARTE/Animal Planet en adviseert UPC om RAI UNO in het gehele adviesgebied uit te zenden. In haar advies met betrekking tot Overige Gemeenten zou dan het programma The Box moeten wijken. UPC handhaafde daarentegen The Box en verwijderde TVE uit het programmapakket.



Artikel 82k, vierde lid, van de Mediawet geeft aan dat de programmaraad in zijn advisering uitgaat van een pluriforme samenstelling van het pakket programmas voor algemene omroep. Indien een programmaraad de bevoegdheid heeft de aanbieder van het omroepnetwerk ook te adviseren over de in het tweede lid van artikel 82k bedoelde overige programmas, dan is het uitgangspunt van de programmaraad in zijn advisering de pluriformiteit van het gehele (wettelijke minimumpakket n pakket overige programmas) door de aanbieder van het omroepnetwerk uit te zenden programmapakket. De APR heeft de bevoegdheid een advies uit te brengen over het gehele door UPC uit te zenden programmapakket (27 televisieprogrammas in Overige Gemeenten en 32 televisieprogrammas in Amsterdam plus). De APR gaat in haar advisering dan ook uit van een pluriforme samenstelling van het gehele programmapakket. Naar het oordeel van het Commissariaat is sprake van een pluriforme samenstelling van het programmapakket, omdat naast programmas van publieke binnenlandse en buitenlandse omroepinstellingen ook programmas van commercile omroepinstellingen zijn opgenomen in dit programmapakket en waarbij voorts nog aandacht is voor nieuws, cultuur, muziek en doelgroepen (kinderen en culturele minderheden). Het Commissariaat tekent hierbij aan dat het in eerste instantie aan de programmaraad is om, met inachtneming van het pluriformiteitsvereiste, tot een bepaalde afweging te komen welke programmas in het programmapakket dienen te worden opgenomen. Dit geldt evenzeer voor de overweging van de programmaraad om bepaalde programmas niet (meer) op te nemen in het advies. Uit de tussen UPC en de APR gevoerde correspondentie (de APR-brieven d.d. 29 juni, 20 juli, 1 september en 24 november 2004) komt, naar het oordeel van het Commissariaat, naar voren dat er van een ondeugdelijke motivering van de adviezen van de APR naar aanleiding van het niet uitzenden van ARTE, geen sprake is.



Consultatie OPTA



Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.3., onder e, van de Beleidsregels is het ontwerp van dit besluit toegezonden aan het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit.



Besluit



Het Commissariaat wijst UPC op de verplichting het advies van de APR te aanzien van het wettelijk minimumpakket op te volgen, nu er, gezien het bovenstaande, van zwaarwichtige redenen, als bedoeld in artikel 82k, vijfde lid, van de Mediawet, om van het advies van de APR af te wijken, geen sprake is.



Op grond van artikel 135, eerste lid, aanhef onder a, van de Mediawet kan het Commissariaat bij overtreding van artikel 82k, vijfde lid, van de Mediawet een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 225.000,-



Gelet op het vorenstaande is het Commissariaat van oordeel dat er in het onderhavige geval aanleiding is voor het opleggen van een boete.



Het bedrag van de op te leggen boete moet worden vastgesteld in evenredigheid met de aard van de schending van de rechtsnorm en de ernst van de overtreding dan wel de zwaarte van de inbreuk. Gelet op het belang dat de wetgever aan de advisering door programmaraden heeft gehecht, waarbij uitsluitend om zwaarwichtige redenen van het betrokken advies kan worden afgeweken en in aanmerking genomen dat advisering door programmaraden meestal nmaal per jaar plaatsvindt, zodat een afwijking van het advies geruime tijd doorwerkt, acht het Commissariaat een substantile boete gerechtvaardigd. Gelet op het feit dat UPC in dit geval is afgeweken van een advies ten aanzien van een televisieprogramma en alle aangeslotenen op het omroepnetwerk in de gemeente Amsterdam verstoken blijven van het televisieprogramma ARTE, is een boete van 100.000,-, op zijn plaats.



Het Commissariaat besluit UPC derhalve een boete op te leggen van 100.000,-. Deze boete zal echter pas worden geffectueerd indien UPC niet vr 1 september 2005 het advies van de APR opvolgt.





Het Commissariaat voor de Media, 29 maart 2005









prof. dr. Jan van Cuilenburg mr. Inge Brakman

Voorzitter Commissaris







Wij wijzen erop dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, daartegen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, een bezwaarschrift kan indienen bij het Commissariaat voor de Media, Postbus 1426, 1200 BK Hilversum.

Download 4366_uitspraak_apr-arte.doc

Bron: Commissariaat/APR

Reacties:

Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.

Reageer

Let op: verplichte velden zijn gemarkeerd (*)

Code invoeren
Neem deze code over in het onderstaande veld
Algemeen
Mail toekomstige reacties naar mij.