Nieuws
UPC hoeft Arte niet door te geven in Rotterdam volgens het Commissariaat
Programmaraden
Thema's
Het Commissariaat voor de Media heeft op 23 maart een uitspraak gedaan in de zaak die de programmaraad Rotterdam had aangespannen tegen UPC voor het niet doorgeven van de zender Arte. Het Commissariaat is van mening dat UPC zwaarwichtige redenen heeft om van het advies van de programmaraad af te wijken. Voor het Commissariaat is het niet kunnen/willen regelen van de auteursrechten door UPC voldoende reden om van het advies van de programmaraad af te wijken. De mogelijkheid bestaat om binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen bij het Commissariaat.
Uitspraak
Het Commissariaat voor de Media
Gezien het verzoek van de Stichting Programmaraad Rotterdam bij brief d.d. 28 augustus 2003 tot bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde in artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet ter zake van het uitzenden van het programma ARTE door UPC Nederland B.V.,
Gelet op de artikelen 82k, eerste, tweede en derde lid, 134 en 135 van de Mediawet,
Gelet op de Beleidsregels inzake afwijken door aanbieder van een omroepnetwerk van programmaraadadvies (handhaving van artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet) d.d. 9 oktober 2001,
Overwegende:
1. Procedure
Bij brief d.d. 28 augustus 2003, ontvangen op 1 september 2003, verzoekt de Stichting Programmaraad Rotterdam (hierna: SPR) het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat) om UPC Nederland B.V. (hierna: UPC) de Mediawet te doen naleven met betrekking tot haar advies inzake het programma ARTE. Desgevraagd ontvangt het Commissariaat op 17 september 2003 het Advies Standaardpakket Televisie 2003-2004 (hierna: Advies). Bij brief d.d. 18 september 2003 verzoekt het Commissariaat, gelet op het bepaalde in artikel 2.2., onder b, van de Beleidsregels inzake afwijken door aanbieder van een omroepnetwerk van programmaraadadvies (hierna: Beleidsregels), UPC de motivering, die aan haar standpunt over het niet opvolgen van het advies van de SPR ten grondslag ligt, aan hem te doen toekomen. UPC deelt telefonisch mee dat zij haar standpunt tijdens de hoorzitting nader zal toelichten. Bij brief d.d. 21 oktober 2003 deelt de aanbieder van het programma ARTE, de Association Relative la Tlvision Europenne G.E.I.E., haar standpunt aan het Commissariaat mee.
Op grond van het bepaalde in artikel 4:7 en artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het Commissariaat de SPR, UPC en de aanbieder van het programma ARTE op 23 oktober 2003 gehoord. De Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA) heeft afgezien van de, op grond van artikel 2.3., onder c, van de Beleidsregels geboden mogelijkheid te worden gehoord. Het verslag van de hoorzitting is bijgevoegd.
Bij brieven d.d. 10 december 2003 aan UPC en de programma-aanbieder van ARTE heeft het Commissariaat verzocht hem vr 30 januari 2004 bekend te maken of zij bereid zijn met elkaar in onderhandeling te treden om aldus UPC in de gelegenheid te stellen zich ervoor in te spannen dat alsnog gevolg kan worden gegeven aan het advies van de SPR. Bij brieven d.d. 23 december 2003 en 21 januari 2004 hebben respectievelijk de aanbieder van het programma ARTE en UPC zich bereid verklaard in onderhandeling te treden. Bij brieven d.d. 26 februari en 3 maart 2004 doen respectievelijk UPC en de aanbieder van het programma ARTE verslag van de onderhandelingen die op 10 februari 2004 hebben plaatsgevonden.
2. De relevante feiten
UPC is de aanbieder van het omroepnetwerk in de gemeente Rotterdam. De SPR is de door de raad van deze gemeente ingestelde programmaraad, die UPC op grond van het bepaalde in artikel 82k, eerste lid, van de Mediawet adviseert welke 15 televisie- en welke 25 radioprogrammas ten minste worden uitgezonden naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk.
Naar aanleiding van het Advies van de SPR, waarbij zij het programma ARTE in het wettelijk minimumpakket adviseert, laat UPC in augustus 2003 weten de uitzendingen van dit programma via haar omroepnetwerk met ingang van 1 september 2003 te zullen staken. De SPR is van oordeel dat de redenen (het niet kunnen regelen van de auteursrechten), op grond waarvan UPC afwijkt van het SPR-advies ten aanzien van ARTE, niet zwaarwichtig zijn.
De Rechtbank s-Gravenhage heeft in zijn uitspraak d.d. 27 november 2003 (beroep Casema tegen beslissing op bezwaar Commissariaat d.d. 1 april 2003 inzake het verzoek van de Programmaraad Bollenstreek tot bestuursrechtelijke handhaving van artikel 82k van de Mediawet) overwogen dat de uit artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet voortvloeiende verplichting voor de aanbieder van het omroepnetwerk om het advies van de programmaraad over het wettelijke minimumpakket op te volgen, met zich brengt dat de aanbieder van het omroepnetwerk al het nodige moet doen om te voldoen aan deze verplichting. Op de aanbieder van het omroepnetwerk rust de verplichting zich ervoor in te spannen dat gevolg kan worden gegeven aan het advies van de programmaraad.
Mede met inachtneming van deze overweging van de Rechtbank s-Gravenhage heeft het Commissariaat UPC verzocht, en daartoe bereid gevonden, met de aanbieder van het programma ARTE in onderhandeling te treden ten einde te trachten een regeling over de auteursrechten tot stand te brengen. UPC en de aanbieder van het programma ARTE hebben met betrekking tot een dergelijke regeling geen overeenstemming bereikt.
3. Bevoegdheid
Op grond van het bepaalde in artikel 2.1., onder a en b, van de Beleidsregels kan het Commissariaat op verzoek van de programmaraad van wiens advies wordt afgeweken overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde in artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet, voor zover het gaat om het al dan niet opnemen van een programma in het wettelijk minimumpakket.
4. Standpunt SPR
Voor de SPR telt het zwaar dat het programma ARTE wordt opgenomen in het wettelijk minimumpakket. Aan de keuze voor ARTE is een zorgvuldige afweging voorafgegaan. De SPR is van oordeel dat met haar advies aan het vereiste van een pluriforme samenstelling van het televisieprogrammapakket volledig recht is gedaan en dat door de opstelling van UPC een niet te rechtvaardigen verschraling optreedt van het programma-aanbod.
Voor zover bekend betaalde de programma-aanbieder van ARTE aan de BUMA een beperkt (symbolisch) bedrag voor de auteursrechten, vanwege een beperkte uitzending in Nederland. Een en ander evenwel niet op basis van de BUMA-overeenkomst, die bestemd is voor buitenlandse, met name publieke programma-aanbieders. Teneinde een oplossing te bieden voor het programma ARTE, maar ook voor de programmas TRT en MBC, is tussen onder meer de VECAI (waarvan UPC lid is) en de BUMA de zogeheten Kaderovereenkomst gesloten. Op basis van deze overeenkomst kan de aanbieder van het omroepnetwerk zorgdragen voor de regeling van de auteursrechten, maar mag de aanbieder van het desbetreffende programma geen marketingactiviteiten ondernemen in Nederland. Volgens de SPR heeft de programma-aanbieder van ARTE zich aan deze afspraak gehouden. De SPR benadrukt in dit verband dat de presentatie van ARTE aan de programmaraadsleden steeds op verzoek van de SPR heeft plaatsgevonden.
5. Standpunt UPC
In tegenstelling tot de aanbieder van het programma ARTE, vindt UPC dat deze de auteursrechten moet blijven betalen. De nieuwe concept-standaardregeling tussen VECAI en BUMA/AGICOA (en andere rechthebbendenorganisaties zoals VEVAM/SEKAM, Stichting Beeldrecht e.d.), de hiervoor bedoelde Kaderovereenkomst, is niet voor een programma als ARTE bedoeld. Daarbij komt dat deze Kaderovereenkomst slechts een middel is om de auteursrechten te voldoen, en niet richtinggevend voor het antwoord op de vraag wie, de programma-aanbieder of UPC, uiteindelijk de kosten van de auteursrechten moet dragen. De zwaarwichtige reden waarom UPC van het SPR-advies meent te moeten afwijken is, dat geen overeenstemming is bereikt met de programma-aanbieder over de vraag wie de kosten van de auteursrechten moet dragen.
Programma-aanbieders die in Nederland zijn vertegenwoordigd en die om uitzending van hun programma verzoeken, hetzij aan UPC, hetzij door zich te presenteren aan een programmaraad, moeten zelf de auteursrechten betalen. Deze programma-aanbieders hebben kennelijk een hun moverend belang bij uitzending. In dit kader betalen de commercile omroepinstellingen, alsmede TV5 en (tot nu toe) ARTE, zelf de auteursrechten door een regeling te treffen met de BUMA. Met betrekking tot de must carry-programmas (de Nederlandstalige publieke omroepprogrammas) en de buitenlandse publieke omroepprogrammas (BBC, WDR e.d.) zijn de auteursrechten geregeld op basis van de BUMA-overeenkomst. Deze programmas bevinden zich al van oudsher op het omroepnetwerk omdat zij destijds al via de ether konden worden ontvangen of relatief goedkoop anderszins konden worden aangeleverd.
UPC beschouwt ARTE als een programma waaromtrent de aanbieder zelf de auteursrechten moet betalen. ARTE is, volgens eigenzeggen, een Europees programma. Zij richt zich mede op het internationaal georinteerde Nederland, waar veel inwoners zowel Frans als Duits verstaan. De programma-aanbieder heeft een zaakswaarnemer in Nederland, die zich, onder meer met mede in het Engels gesteld marketingmateriaal, actief richt op het bevorderen van uitzending in Nederland. Een en ander ondanks de verklaring dat hij geen rechtstreeks belang heeft bij uitzending in Nederland. Het zelf betalen van de auteursrechten sluit overigens ook aan op de tot nu toe bestaande afspraken tussen de programma-aanbieder van ARTE en UPC. Vanaf 1999 betaalt eerstgenoemde steeds de auteursrechten. Bovendien blijkt hieruit dat er geen sprake is van onmogelijkheid aan de zijde van de programma-aanbieder om de auteursrechten te regelen. Ter vergelijking wijst UPC op het programma TV5. Ook deze aanbieder wil voorzien, zoals hij zelf aangeeft, in de francofone behoefte in andere landen dan Frankrijk. Hij richt zich daarom mede op Nederland, met een eigen vertegenwoordiging hier. Deze programma-aanbieder neemt de auteursrechten voor eigen rekening en maakt daarover zelf afspraken met de BUMA.
De Kaderovereenkomst biedt de aanbieder van een omroepnetwerk de mogelijkheid (niet: legt de verplichting op), de betaling van auteursrechten bij de BUMA te regelen. En wel voor programma-aanbieders, die niet in Nederland vertegenwoordigd zijn en die niet zelf in Nederland hun auteursrechten kunnen regelen. Het betreft derhalve programmas die zich op andere landen dan op Nederland richten. Met betrekking tot deze programmas was het tot voor kort niet of slechts met veel moeite mogelijk de auteursrechten te regelen. De Kaderovereenkomst kan, ten behoeve van uitzending in Nederland, voor deze programmas een uitkomst zijn. Deze overeenkomst is overigens nog niet door alle betrokken partijen ondertekend en het is nog niet duidelijk op welke programmas deze regeling betrekking zal hebben.
Het uitgangspunt voor UPC blijft dat een omroepinstelling die belang heeft bij de uitzending van haar programma in Nederland, een rechtenvrij product moet aanbieden. Slechts indien UPC zelf een programma wenst uit te kunnen zenden via haar omroepnetwerk, en vrager is op de markt, om aldus een interessant programmapakket te kunnen aanbieden aan haar abonnees, zal van dit uitgangspunt afgeweken kunnen worden. De Kaderovereenkomst biedt een instrument om dit ook te kunnen doen. En zoals gezegd, de Kaderovereenkomst is niet voor een programma-aanbieder als ARTE bedoeld. UPC vindt dat ARTE ten onrechte in deze overeenkomst wordt genoemd en heeft de overeenkomst dan ook niet onderschreven en is daaraan dan ook op geen enkele wijze juridisch gebonden. De VECAI is in deze niet bevoegd UPC te vertegenwoordigen.
De aanbieders van een omroepnetwerk en de rechthebbenden hebben, bij de Kaderovereenkomst, afgesproken welke tarieven gelden voor de auteursrechten die moeten worden betaald bij uitzending in Nederland, en aan welk loket deze auteursrechten moeten worden betaald. De betrokken programma-aanbieders hebben hierover zelf geen afspraken gemaakt omdat zij niet actief zijn in Nederland en zich niet op Nederland richten. Deze overeenkomst laat echter onverlet dat ook steeds overeenstemming moet bestaan tussen de aanbieder van het omroepnetwerk en de programma-aanbieder, met name met betrekking tot wie de kosten van de auteursrechten moet dragen. En hierover kunnen UPC en de aanbieder van het programma ARTE nu juist geen overeenstemming bereiken.
Bij gelegenheid van het overleg d.d. 10 februari 2004 tussen UPC en de aanbieder van het programma ARTE bleek een gesprek over de betaling van de auteursrechten niet mogelijk, nu laatstgenoemde van mening blijft dat hij betrokken dient te worden bij de Kaderovereenkomst.
6. Standpunt ARTE
De aanbieder van het programma ARTE geeft aan dat zijn programma sinds 1999 op proef wordt uitgezonden via omroepnetwerken in Nederland. Hij geeft voorts aan geen belang te hebben bij uitzending van zijn programma in Nederland. Er is geen sprake van een vertegenwoordiger in Nederland, maar slechts van een adviseur, die incidenteel namens hem contactpersoon is. De programma-aanbieder correspondeert steeds vanuit Strassbourg. Het programma richt zich niet in het bijzonder op Nederland, want bevat geen gesproken woord of ondertiteling in de Nederlandse taal, bevat geen Nederlandse en op het Nederlandse publiek gerichte advertenties en werft ook niet actief voor distributie in Nederland. Met betrekking tot het programma vinden geen marketingactiviteiten plaats. Niettemin wordt hij door programmaraden uitgenodigd een presentatie te verzorgen, waaraan hij uit beleefdheid en respect gehoor geeft. Bij deze gelegenheid brengt hij echter steeds naar voren dat de auteursrechten, door betaling van een symbolisch bedrag aan de BUMA, alleen voor de proefperiode zijn geregeld.
Volgens de aanbieder is het programma ARTE vergelijkbaar met de programmas van andere buitenlandse omroepinstellingen, die onder de paraplu van het zogeheten BUMA-contract worden uitgezonden. Indien de uitzending van het programma ARTE onder dit contract gebracht zou kunnen worden, dan dient de aanbieder van het omroepnetwerk, teneinde de auteursrechten te regelen, rechtstreeks aan de BUMA te betalen. De proefperiode eindigde op 1 april 2003. De vervolgens tussen onder meer BUMA en VECAI gesloten, en hiervoor genoemde, Kaderovereenkomst, geldend van 1 januari 2003 tot 31 december 2004, en waarbij de bij deze overeenkomst betrokken partijen zijn overeengekomen dat ARTE daarvan onderdeel uitmaakt, biedt de aanbieders van een omroepnetwerk de mogelijkheid de auteursrechten van derderechthebbenden te regelen door betaling van een bepaald bedrag aan hun belangenorganisaties. Deze overeenkomst is met name gesloten voor programmas als ARTE. De auteursrechten met betrekking tot het programma ARTE dienen, op grond van de Kaderovereenkomst, zowel geregeld als betaald te worden door de aanbieder van een omroepnetwerk.
Uit de omstandigheid dat de bij de Kaderovereenkomst betrokken partijen overeen zijn gekomen dat ARTE daarvan onderdeel uitmaakt, blijkt dat niet alleen het standpunt van UPC dat de aanbieder van het programma ARTE belang heeft bij uitzending onhoudbaar is, maar ook dat indien UPC een overeenkomst sluit conform de Kaderovereenkomst, de rechten van derden ook voor ARTE zijn geregeld. Nu de aanbieder van het programma ARTE aan UPC toestemming heeft verleend voor uitzending staat het vast dat er geen auteursrechtelijke problemen meer bestaan met betrekking tot de uitzending van ARTE. Het is overigens niet aan UPC om te bepalen of ARTE al dan niet in de Kaderovereenkomst is begrepen.
Weliswaar kan UPC in haar overeenkomsten met BUMA afwijken van de Kaderovereenkomst, maar daarvoor zijn geen goede gronden aanwezig. De aanbieder van het programma ARTE ziet geen verschil in zijn situatie met die van de programma-aanbieders die wel onder de Kaderovereenkomst vallen. Hierbij wordt opgemerkt dat ARTE door UPC wel digitaal wordt uitgezonden, dat ook voor digitale uitzending auteursrechten zijn verschuldigd en dat ook voor digitale uitzending de Kaderovereenkomst bepalend is. Door ten aanzien van ARTE af te wijken van de Kaderovereenkomst werpt UPC een probleem op dat juist door de Kaderovereenkomst wordt voorkomen. UPC kan de auteursrechten regelen, maar UPC wil de auteursrechten niet regelen. In dit kader wordt verwezen naar de meergenoemde uitspraak d.d. 25 november 2003 van de Rechtbank s-Gravenhage. Indien UPC afwijkt van de Kaderovereenkomst kunnen, volgens de BUMA, de auteursrechten van derden ook centraal, tegen een geringe vergoeding, worden geregeld. Bij gelegenheid van het hierboven genoemde overleg d.d. 10 februari 2004 heeft UPC aangegeven, dat zij de Kaderovereenkomst niet zal volgen en dat zij kennelijk geen regeling met rechthebbenden wenst te treffen.
Zelfs al zouden de auteursrechten zijn geregeld dan is de hoogte van het bedrag dat met de betaling van de auteursrechten is gemoeid zodanig, dat betaling daarvan de financieel economische exploitatiemogelijkheden van het omroepnetwerk niet in gevaar brengt. Er is derhalve geen zwaarwichtige reden om van het advies van de SPR af te wijken, indien UPC de betaling van de auteursrechten voor haar rekening moet nemen.
7. Standpunt Commissariaat
Algemeen
Ingevolge artikel 82k, eerste lid, van de Mediawet adviseert de programmaraad de aanbieder van een omroepnetwerk over de samenstelling van het verplichte pakket van 15 televisieprogrammas (en 25 radioprogrammas). Dit verplichte pakket wordt aangeduid als het wettelijk minimumpakket. In dit pakket dienen in ieder geval de programmas van de landelijke publieke omroepinstellingen, de regionale publieke omroepinstelling, de lokale publieke omroepinstelling en de Nederlandstalige publieke omroepinstellingen uit Belgi te zijn opgenomen. Het advies van de programmaraad weegt zwaar. Slechts om zwaarwichtige redenen kan de aanbieder van een omroepnetwerk van dit advies afwijken.
Het Commissariaat stelt vast dat de SPR een programmaraad is als bedoeld in artikel 82k, eerst lid, van de Mediawet en dat hij zwaarwegend kan adviseren over de 15 televisieprogrammas (en 25 radioprogrammas) die UPC moet uitzenden. Zoals hiervoor overwogen is het Commissariaat bevoegd te oordelen over verzoeken die betrekking hebben op opneming in het wettelijk minimumpakket, in het bijzonder op hetgeen is bepaald in artikel 82k, tweede en vierde lid, van de Mediawet.
Artikel 82k, vierde lid, van de Mediawet schrijft voor dat onverminderd het bepaalde in artikel 82i van de Mediawet, de programmaraad in zijn advisering uitgaat van een pluriforme samenstelling van het pakket programmas voor algemene omroep, waarbij hij rekening houdt met de in de gemeente(n) levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. Voorts kan het Commissariaat op basis van het tweede lid van artikel 82k van de Mediawet toetsen of er zwaarwichtige redenen zijn op grond waarvan de aanbieder van het omroepnetwerk van het advies van de programmaraad kan afwijken dan wel had moeten afwijken.
Artikel 3 van de Beleidsregels geeft een aantal zwaarwichtige redenen aan die een afwijking van het programmaraadadvies kunnen rechtvaardigen. Hierbij is, aldus de toelichting op artikel 3, aansluiting gezocht bij hetgeen daarover in de wetsgeschiedenis naar voren is gebracht.
Zwaarwichtige reden als bedoeld in artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet
In de Nota naar aanleiding van het verslag (EK 1996-1997, 24 808, nr. 227b, blz. 5/6) wordt, voor zover hier van belang, met betrekking tot de in het tweede lid van artikel 82k van de Mediawet genoemde zwaarwichtige redenen, het volgende standpunt ingenomen: Zwaarwegende redenen kunnen gelegen zijn in het in gevaar brengen van de financieel-economische exploitatiemogelijkheden van het kabelnet. Ook kan het zijn dat de auteursrechtelijke aspecten niet kunnen worden geregeld, ...
Het Commissariaat stelt vast dat UPC de aanbieder van het programma ARTE niet dezelfde status toekent als de aanbieders van publieke buitenlandse programmas zoals de BBC, ZDF, ARD, RAI, TVE e.d. Immers, in tegenstelling tot laatstgenoemde programma-aanbieders, onderneemt de aanbieder van het programma ARTE, volgens UPC, marketingactiviteiten in Nederland en geeft daarmee aan dat hij belang heeft bij uitzending in Nederland. Dit betekent, wederom in de veronderstelling van UPC, dat deze programma-aanbieder in de positie is de, met de uitzending van zijn programma via een omroepnetwerk in Nederland gemoeide, auteursrechten van derden zelf te regelen en te betalen.
Het Commissariaat stelt vast dat de meergenoemde Kaderovereenkomst, gesloten, dan wel te sluiten, tussen de VECAI en de auteursrechthebbenden-organisaties, betrekking heeft op programmas die niet gericht zijn op Nederland en waarvan de aanbieder niet in de gelegenheid is zelf de auteursrechten met die rechthebbendenorganisaties in Nederland te regelen. Deze overeenkomst biedt dientengevolge de aanbieder van een omroepnetwerk, die het desbetreffende programma wenst op te nemen in zijn pakket, de mogelijkheid deze auteursrechten met de rechthebbendenorganisaties te regelen. De aanbieder van het programma ARTE meent dat hij aan de voorwaarden voldoet om bij deze overeenkomst te worden betrokken, zodat de bij de uitzending van zijn programma betrokken auteursrechten door UPC moeten worden betaald aan de betrokken rechthebbendenorganisaties.
Uit de door betrokkenen overgelegde stukken en het gestelde tijdens de hoorzitting op 23 oktober 2003 stelt het Commissariaat vast dat UPC en de aanbieder van het programma ARTE geen eensluidend oordeel hebben betreffende de status en de doelstelling van de aanbieder van het programma ARTE. Het Commissariaat is bevoegd, noch in staat hieromtrent een beslissend standpunt in te nemen. Het oordeel betreffende de status en de doelstelling van de aanbieder van het programma ARTE is en blijft voorbehouden aan UPC en de aanbieder van dit programma. Het gevolg daarvan is dat betrokkenen geen overeenstemming kunnen bereiken met betrekking tot de regeling van de auteursrechten.
Het Commissariaat heeft UPC verzocht met de aanbieder van het programma ARTE in onderhandeling te treden om een regeling over de auteursrechten tot stand te brengen. Aan deze door het Commissariaat aan UPC opgelegde inspanningsverplichting is voldaan in dier voege dat UPC in overleg is getreden met de aanbieder van het programma ARTE, daargelaten of er daadwerkelijk sprake is geweest van onderhandelingen.
Voorts geeft UPC nog nadrukkelijk aan dat niet alleen met betrekking tot het regelen van de auteursrechten geen overeenstemming kan worden bereikt maar dat tussen haar en de programma-aanbieder ook geen overeenstemming is over de vraag wie de kosten van de auteursrechten moet dragen. Hierbij merkt het Commissariaat op dat hij van oordeel is dat het uitblijven van overeenstemming over de kostenverdeling van de auteursrechten deel uitmaakt van het niet in staat zijn de auteursrechten te regelen. Het niet in staat zijn de auteursrechten te regelen is een zwaarwichtige reden in de zin van artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet. Het in gevaar komen van de financieel economische exploitatiemogelijkheden van het omroepnetwerk behoeft daarbij niet te worden betrokken.
Het Commissariaat merkt nog op dat de aanbieder van het programma ARTE niet uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven uitgezonden te willen worden (via het omroepnetwerk van UPC) in Nederland. Hij heeft slechts aangegeven dat het geen specifiek belang hebben bij uitzending in Nederland niet betekent dat hij geen voorstander zou zijn van uitzending in Nederland.
Nu uit de wetsgeschiedenis naar voren komt, dat onder zwaarwichtige reden moet worden begrepen het niet kunnen regelen van de auteursrechtelijke aspecten met betrekking tot het uitzenden van een programma via een omroepnetwerk, is er naar het oordeel van het Commissariaat een zwaarwichtige reden voor UPC om ten aanzien van het programma ARTE van het advies van de SPR af te wijken. In het onderhavige geval betekent het regelen van de auteursrechtelijke aspecten het door UPC ondertekenen van de Kaderovereenkomst. Daartoe kan UPC door het Commissariaat noch door enig ander gedwongen worden.
8. Consultatie OPTA
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.3., onder e, van de Beleidsregels is het ontwerp van dit besluit toegezonden aan het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit.
Besluit
Nu UPC een zwaarwichtige reden heeft af te wijken van het advies van de SPR ten aanzien van het programma ARTE, het verzoek van de SPR tot bestuurlijke handhaving van het bepaalde in artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet af te wijzen.
Het Commissariaat voor de Media, 23 maart 2004
prof. dr. Jan van Cuilenburg mr. Inge Brakman
voorzitter commissaris
Wij wijzen erop dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, daartegen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, een bezwaarschrift kan indienen bij het Commissariaat voor de Media, Postbus 1426, 1200 BK Hilversum.
Bron: Commissariaat voor Media
Reacties:
Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.
