Nieuws

Verzoek tot handhaving aan het Commissariaat van de Media

Besluit op handhavingsverzoek

Kenmerk: 25699/2011016329

Betreft: bestuursrechtelijke handhaving

Het Commissariaat voor de Media

Gezien het verzoek van de Programmaraad Utrecht Oost bij brief van 29 juni 2011 om

bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde in artikel 6.20, tweede lid, van de Mediawet

2008, jegens Ziggo B.V., inzake het niet volgen door Ziggo B.V. van het advies van de

Programmaraad Utrecht Oost voor zover het betreft de geadviseerde

televisieprogrammakanalen ARD, BBC2, TV5 Monde, Euronews en WDR,

Gelet op de artikelen 6.13, eerste lid, 6.15 toten met 6.21 en 7.12, eerste lid, van de

Mediawet 2008,

Gelet op de Beleidsregels inzake afwijken door aanbieder van een omroepnetwerk van

programmaraadadvies (handhaving van artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet) van

9 oktober 2001, welke beleidsregels gelet op de Tijdelijke regeling van 13 januari 2009

houdende beleidsregels omtrent de toepasselijkheid van de beleidsregels van het

Commissariaat voor de Media in verband met de inwerkingtreding van de Mediawet 2008

(Regeling toepasselijkheid beleid onder de Mediawet 2008) van toepassing zijn,

Overwegende:

A. Procedure

1. Bij brief van 29 juni 2011, ingekomen 30 juni 2011, verzoekt de Programmaraad Utrecht

Oost (hierna: PR Utrecht Oost) aan het Commissariaat voor de Media (hierna: het

Commissariaat) om Ziggo B.V. (hierna: Ziggo) de Mediawet 2008 te doen naleven met

betrekking tot het volgen van zijn advies voor zover het betreft de in het wettelijk

minimumpakket geadviseerde televisieprogrammakanalen ARD, BBC2, TV5 Monde,

Euronews en WDR.

2. Op 4 juli 2011 heeft de PR Utrecht Oost een herzien handhavingsverzoek ingediend, en

het Commissariaat verzocht dit verzoek in de plaats te stellen van het op 29 juni 2011

ingediende handhavingsverzoek.

3. Bij brief van 12 juli 2011 verzoekt het Commissariaat, gelet op het bepaalde in artikel 2.2.,

onder b, van de Beleidsregels inzake afwijken door aanbieder van een omroepnetwerk

van programmaraadadvies (hierna: de Beleidsregels), Ziggo de motivering die aan haar

standpunt over het niet opvolgen van het advies ten grondslag ligt, aan hem te doen

toekomen.

4. Bij brief van 13 september 2011, ingekomen op dezelfde datum, doet Ziggo haar

standpunt aan het Commissariaat toekomen.

C O M M I S S A R I A A T V G D R D E M E D IA

Op grond van het bepaalde in artikel 4:7 en artikel 4:8 van de Algemene wet

bestuursrecht en artikel 2.3, onder b, van de Beleidsregels heeft het Commissariaat de

PR Utrecht Oost en Ziggo op 24 oktober 2011 gehoord. Het verslag van de hoorzitting zal

worden nagezonden.

B. Feiten

6. Ziggo is de aanbieder van het omroepnetwerk in het adviesgebied van de PR Utrecht

Oost.

7. De PR Utrecht Oost is de door de gemeenteraden in het adviesgebied van de PR Utrecht

Oost ingestelde programmaraad die Ziggo op grond van het bepaalde in artikel 6.20,

eerste lid, van de Mediawet 2008 adviseert welk vrij toegankelijk programma-aanbod op

vijftien omroepnetten voor televisie en vijfentwintig omroepnetten voor radio Ziggo

krachtens artikel 6.13, eerste lid, ten minste verspreidt naar alle aangeslotenen op het

omroepnetwerk.

8. De PR Utrecht Oost is een gemeentelijke commissie als bedoeld in artikel 84 van de

Gemeentewet.

9. De "Verordening Programmaraad Utrecht Oost" (hierna: de Verordening) is van

toepassing op de PR Utrecht Oost. Deze verordening is vastgesteld door de

gemeenteraad van Renswoude bij raadsbesluit van 27 juni 2006.

10. De PR Utrecht Oost bestaat uit acht leden.

11. Bij brief van 13 december 2010 heeft de PR Utrecht Oost zijn concept-adviezen voor

televisie en radio voor 2011 aan Ziggo gezonden.

12. Bij e-mail van 19 januari 2011 heeft Ziggo op voorgaande brief van de PR Utrecht Oost

gereageerd.

13. Bij e-mailbericht van 3 februari 2011 heeft Ziggo de PR Utrecht Oost geïnformeerd over

haar aanstaande afbouw van het analoge gedeelte van het standaardpakket voor televisie

van 30 naar 25 programmakanalen. Ziggo heeft de PR Utrecht Oost in dat verband laten

weten dat de afbouw, die het gevolg is van digitalisering, haar noodzaakt om met de

med ia-aanbieders te komen tot evaluatie en wellicht herziening van bestaande afspraken

met betrekking tot de distributie van de programmakanalen. Daarbij heeft Ziggo

aangegeven met een aantal media-aanbieders in gesprek te zijn, maar nog niet tot

sluitende afspraken te zijn gekomen. Aan de PR Utrecht Oost is daarbij verzocht om voor

de desbetreffende programmakanalen, voor zover door de PR Utrecht Oost geadviseerd,

voor 1 maart 2011 een voorlopig vervangend televisieadvies af te geven. Dit voorlopig

vervangende televisieadvies zou vervolgens, per programmakanaal, slechts geacht

worden deel uit te maken van het definitieve televisieadvies als zou blijken dat het

desbetreffende programmakanaal niet beschikbaar zou zijn voor analoge distributie door

Ziggo in 2011/2012.

C O M M I S S A R I A A T V D D R D E M E D IA

14. Bij e-mail van 4 februari 2011 laat de PR Utrecht Oost Ziggo weten dat de e-mail van

Ziggo van 3 februari 2011 zal worden besproken in de komende geplande vergadering

van de PR Utrecht Oost op 7 februari 2011.

15. Op 7 februari 2011 heeft de PR Utrecht Oost Ziggo definitief geadviseerd om voor het jaar

2011, naast de verplicht door te geven televisieprogrammakanalen, zoals bedoeld in

artikel 6.13, eerste lid aanhef, en onder a tot en met d, van de Mediawet 2008, de

programmakanalen BBC1, BBC2, ARD, TV 5 Monde, MTV, Euronews en WDR op te

nemen in het wettelijk minimumpakket (hierna: het TV-advies). In het TV-advies heeft de

PR Utrecht Oost zich niet beperkt tot de samenstelling van het wettelijk minimumpakket

maar heeft hij tevens een aanvullend pakket van 13 programmakanalen samengesteld.

Dit advies is op 3 maart 2011 naar Ziggo verzonden. De PR Utrecht Oost heeft daarbij

aangekondigd niet tegemoet te komen aan het verzoek van Ziggo om advisering van

voorlopig vervangende programmakanalen.

16. Per e-mailbericht van 18 april 2011 heeft de vertegenwoordiger van TV5 Monde aan

Ziggo bericht dat de aanbieder van TV5 Monde ervoor heeft gekozen om met ingang van

het moment waarop Ziggo overgaat tot afbouw van het analoge deel van het

standaardpakket, het programmakanaal TV5 Monde niet meer beschikbaar te stellen voor

analoge distributie via netwerken van Ziggo.

17. Bij brief van 16 mei 2011 heeft Ziggo de PR Utrecht Oost geïnformeerd over de

uitkomsten van de voortzetting van de voorbereidingen voor de herziening van het

analoge aanbod in het adviesgebied van de PR Utrecht Oost. Ziggo heeft daarbij de PR

Utrecht Oost meegedeeld dat het advies van de PR Utrecht Oost niet voldoet aan de

geldende vereisten, zodat het niet kan worden aangemerkt als (zwaarwichtig) advies in de

zin van artikel 6.20, eerste lid, van de Mediawet 2008.

18. Bij brief van 20 mei 2011 heeft de PR Utrecht Oost Ziggo verzocht aan te geven ten

aanzien van welke formele vereisten het TV-advies, naar het oordeel van Ziggo tekort

schiet. De PR Utrecht Oost is van mening dat hij aan alle formele vereisten voldoet.

19. In antwoord op het vorenstaande heeft Ziggo bij e-mail van 31 mei 2011 de PR Utrecht

Oost laten weten dat wordt gedoeld op de formele vereisten, zoals die voortvloeien uit de

Mediawet 2008 en de geldende jurisprudentie. Het gaat daarbij om de eisen met

betrekking tot de inhoud en de totstandkoming van de programmaraadsadviezen. Ziggo

verwijst daarbij onder meer naar paragraaf 6.3.1.3 van de Mediawet 2008 en naar de

uitspraak van de Rechtbank Groningen van 28 februari 2008 (UN: BP9784).

C. Juridisch Kader

20. In de bijlage bij dit besluit worden de relevante wetsartikelen vermeld.

C O M M I S S A R I A A T VOCIR D E M E D IA

D. Standpunt PR Utrecht Oost

21. De PR Utrecht Oost is van mening dat het advies overeenkomstig de Mediawet 2008 is

opgesteld en dat Ziggo het advies op moet volgen tenzij zwaarwichtige redenen zich

daartegen verzetten.

22. De PR Utrecht Oost vindt dat Ziggo geen zwaarwichtige redenen heeft aangegeven om

het TV-advies voor wat betreft de televisieprogrammakanalen ARD, BBC2, TV5 Monde,

Euronews en WDR niet op te volgen. Volgens informatie van de PR Utrecht Oost zijn

deze programmakanalen wel beschikbaar voor doorgifte in het analoge pakket.

23. De PR Utrecht Oost is van mening dat het TV-advies aan alle gestelde eisen voldoet en

vraagt aan het Commissariaat het advies te toetsen aan de voorwaarden van de wet en

als dit advies rechtsgeldig is Ziggo te verplichten dit advies uit te voeren.

24. Volgens de PR Utrecht Oost zijn de zenders ARD, WDR en BBC2 beschikbaar voor

analoge doorgifte.

E. Standpunt Ziggo

Dwingend-wettelijke eisen

25. Ziggo is in de eerste plaats van oordeel dat het TV-advies van de PR Utrecht Oost niet

kan worden gekwalificeerd als een advies in de zin van artikel 6.20, eerste lid, van de

Mediawet 2008. Volgens Ziggo moet het verzoek daarom niet-ontvankelijk worden

verklaard.

26. Volgens Ziggo moet een programmaraad, ingevolge paragraaf 6.3.1.3. van de Mediawet

2008 voldoen aan de volgende eisen:

representatief zijn voor de belangrijkste in de gemeente of gemeenten voorkomende

maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen;

de leden moeten over voldoende kennis beschikken over de informatiebehoeften van

bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling binnen

het kijk- en luisterpubliek;

uit ten minste zeven leden bestaan;

een reglement vaststellen, waarin in ieder geval regels zijn opgenomen over de wijze

waarop de instelling, de taak en de samenstelling van de programmaraad kenbaar

wordt gemaakt. Tevens moet het reglement regels bevatten over de totstandkoming,

de inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking en de geldigheidsduur van het advies

van de programmaraad. Dit reglement dient te voorzien in een transparante

adviesprocedure.

27. Ziggo wijst erop dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State (hierna: de Afdeling) van 12 mei 2010 (LJN: BM4162) volgt, dat een advies van

een programmaraad niet kan worden aangemerkt als een advies als bedoeld in artikel

6.20, eerste lid, van de Mediawet 2008, als de programmaraad niet voldoet aan

(eerdergenoemde) wettelijke eisen.

C O M M I S S A R I A A T V D D R DE M E D IA

28. Bij de PR Utrecht Oost kan Ziggo niet vaststellen of de instelling, de samenstelling en de

handelwijze van de PR Utrecht Oost stroken met hetgeen op dat gebied in de Mediawet

2008 is bepaald.

29. Voor Ziggo is het ook onduidelijk of de PR Utrecht Oost een eigen reglement hanteert.

Motivering advies

30. Volgens Ziggo is het TV-advies van de PR Utrecht Oost niet deugdelijk dan wel

draagkrachtig gemotiveerd. Ziggo stelt de PR Utrecht Oost heeft nagelaten te motiveren

hoe met de keuze van deze (en geen andere) programmakanalen tegemoet is gekomen

aan de geldende pluriformiteitseis en op welke wijze bij de vaststelling daarvan rekening is

gehouden met de specifieke in de gemeente PR Utrecht Oost levende maatschappelijke,

culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften. Volgens Ziggo heeft de PR Utrecht Oost

onjuiste uitgangspunten aan zijn advisering ten grondslag heeft gelegd en daarmee ten

onrechte overwogen dat zijn advies voor 2010 ook voor 2011 ongewijzigd in stand kon blijven.

Het TV-advies is volgens Ziggo daarmee niet transparant en deugdelijk gemotiveerd.

31. In het handhavingsverzoek geeft de PR Utrecht Oost evenmin een toelichting op zijn

eigen samenstelling en op zijn handelwijze ten aanzien van de vaststelling van en

stemming over het advies. Ziggo meent dat het op de weg van de PR Utrecht Oost ligt om

aan te tonen dat op dit punt is voldaan aan alle geldende voorschriften, zoals onder meer

neergelegd in de Mediawet 2008, in het eigen reglement van de PR Utrecht Oost en in het

Modelreglement.

Pluriformiteit/strategische advisering

32. Volgens Ziggo blijkt uit het advies van de PR Utrecht Oost ten aanzien van het wettelijk

minimumpakket onmiskenbaar, dat de PR Utrecht Oost heeft geanticipeerd op de

invulling, door Ziggo, van het boven het wettelijk minimumpakket gelegen gedeelte van

dat standaardpakket. Ziggo stelt vast dat de PR Utrecht Oost geen van de best bekeken

Nederlandstalige commerciële programmakanalen in zijn TV-advies ten aanzien van het

wettelijk minimumpakket heeft opgenomen.

33. Bovendien heeft PR Utrecht Oost "strategisch" geadviseerd, door ervan uit te gaan dat het

best bekeken Nederlandstalig programma-aanbod van commerciële media-aanbieders

door Ziggo in het in het boven het wettelijk minimumpakket gelegen gedeelte van het

standaardpakket wordt opgenomen.

34. Ziggo verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Rechtbank Groningen van 28

februari 2011 (UN: BP9784). In voornoemde uitspraak is bevestigd dat de Mediawet 2008

bepaalt dat het geadviseerde programma-aanbod op de 15 omroepnetten voor televisie

pluriform moet zijn. Dit pluriform wettelijk minimumpakket dient te bestaan uit het

programma-aanbod van zowel publieke als (de best bekeken) commerciële mediainstellingen.

In de uitspraak van de Rechtbank Groningen is ook aangegeven dat de

programmaraden in het kader van de advisering niet mogen anticiperen op een bepaalde

omvang en invulling van het boven het wettelijk minimumpakket gelegen gedeelte van het

analoge pakket en dat zij rekening dienen te houden met de (voortschrijdende)

digitalisering.

C O M M I S S A R I A A T V D D R D E M E D IA

35. Het door de PR Utrecht Oost geadviseerde wettelijk minimumpakket kan naar de mening

van Ziggo dan ook niet als pluriform worden aangemerkt en heeft een strategisch

karakter. Het TV-advies kan daarom niet worden aangemerkt als een rechtsgeldig advies

als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, van de Mediawet 2008.

Digitalisering/innovatie

36. Ziggo meent dat de PR Utrecht Oost zich ten onrechte afzet tegen de afbouw van het

analoge deel van het standaardpakket en daarmee tegen de digitalisering en innovatie

van het omroepnetwerk van Ziggo. Dit blijkt volgens Ziggo onder meer uit de

"strategische" advisering. Volgens Ziggo is het niet aan de PR Utrecht Oost om een

standpunt in te nemen met betrekking tot de afbouw van het analoge deel van het

standaardpakket. Op Ziggo rust de verplichting om een (wettelijk minimum)pakket van 15

programmakanalen door te geven. Aan deze verplichting voldoet Ziggo ruimschoots.

37. Digitale uitbreiding dient om tegemoet te komen aan de (variërende) wensen van de

aangeslotenen. Het belang en de noodzaak van digitalisering is breed onderkend en

aanvaard.

38. Ziggo merkt op dat de PR Utrecht Oost nooit rekening heeft gehouden met de gewijzigde

omstandigheden. Volgens Ziggo belemmert de handelwijze van de PR Utrecht Oost de

digitalisering. Van belang is immers juist, dat de situatie van nu afwijkt van de situatie

gedurende de afgelopen jaren. Zelfs de wetgever houdt daar rekening mee.

Zwaarwichtige redenen

39. Voor zover het Commissariaat tot het oordeel mocht komen dat het advies van de PR

Utrecht Oost kan worden aangemerkt als een rechtsgeldig advies in de zin van artikel

6.20, eerste lid, van de Mediawet 2008, is Ziggo van oordeel dat er sprake is van

zwaarwichtige redenen om van dit advies af te wijken.

40. Ten aanzien van het televisieprogrammakanaal TV5 Monde, merkt Ziggo op dat de

aanbieder van TV5 Monde heeft verklaard dat dit programmakanaal niet langer

beschikbaar is voor analoge doorgifte op het moment dat Ziggo overgaat tot afbouw van

het analoge gedeelte van het programmapakket.

41. Ten aanzien van de televisieprogrammakanalen ARD, BBC2, Euronews en WDR stelt

Ziggo het volgende. Als Ziggo het TV-advies van de PR Utrecht Oost, waarin

onvoldoende tegemoet wordt gekomen aan de wensen van een breed publiek, moet

volgen en voor dit publiek onvoldoende interessant pakket moet aanbieden, dan doet dit

op onacceptabele wijze af aan haar concurrentiepositie. De concurrentie, die niet is

gebonden aan programmaraadadviezen, zal hiermee immers zijn voordeel kunnen doen

en een aanbod kunnen samenstellen dat interessanter is dan het analoge aanbod van

Ziggo. Ziggo stelt zich in dit verband op het standpunt dat zij de bedoelde

concurrentiestrijd aldus kan verliezen als gevolg van de onverkorte uitvoering van

programmaraadadviezen, en dat deze omstandigheid leidt tot een zwaarwichtige reden,

als bedoeld in artikel 6.20, tweede lid, van de Mediawet 2008, om af te wijken van de

programmaraadadviezen.

C O M M I S S A R I A A T V G D R D E M E D IA

E. Overwegingen Commissariaat

Formele eisen

42. Ingevolge artikel 6.15, eerst lid, van de Mediawet 2008 stelt de gemeenteraad, in

gemeenten waar een omroepnetwerk is, een programmaraad in. Ingevolge het tweede lid

van artikel 6.15 van de Mediawet 2008 is de programmaraad representatief voor de

belangrijkste in de gemeente of gemeenten voorkomende maatschappelijke, culturele

godsdienstige en geestelijke stromingen en beschikt als geheel over voldoende kennis

van de informatiebehoeften van bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang

en samenstelling binnen het kijk- en luisterpubliek.

43. Ingevolge artikel 6.16, eerste lid, van de Mediawet 2008 bestaat een programmaraad uit

ten minste zeven en ten hoogste vijftien leden, die worden benoemd door de

gemeenteraad van de gemeente waar het omroepnetwerk aanwezig is.

44. Deze wettelijke bepalingen zijn dwingend. Ten aanzien hiervan heeft de Afdeling in zijn

uitspraak van 12 mei 2010 onder meer als volgt overwogen:

"Artikel 82m van de Mediawet schrijft dwingend voor dat een programmaraad uit ten

minste zeven leden bestaat. Naar het oordeel van de Afdeling brengt deze bepaling met

zich dat een programmaraad ten tijde van de vaststelling van het advies aan die eis moet

voldoen. In de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn geen

aanknopingspunten te vinden die tot een andere opvatting nopen. Veeleer blijkt hieruit dat

een minimum van zeven leden noodzakelijk is geacht om de representativiteit van een

programmaraad te waarborgen (Kamerstukken II2002/03, 28 639, nr. 3, blz. 10-11)."

45. Uit de Memorie van Toelichting bij de Mediawet 2008 (TK, vergaderjaar 2007-2008, 32

356, nr. 3, pag. 77) blijkt uit de toelichting bij de artikelen 6.15 tot en met 6.22 dat de

regels over programmaraden ten opzichte van de regeling van de artikelen 82k tot en met

82o van de Mediawet (oud) niet zijn gewijzigd.

46. Ziggo heeft gesteld dat het TV-advies van de PR Utrecht Oost om formele vereisten niet

kan worden gekwalificeerd als een advies in de zin van artikel 6.20, eerste lid, van de

Mediawet 2008 en heeft het Commissariaat verzocht te toetsen of de PR Utrecht Oost

voldoet aan formele vereisten van de Mediawet 2008.

47. Ten aanzien van de instelling, de samenstelling en de handelwijze van de PR Utrecht

Oost overweegt het Commissariaat het volgende.

48. Artikel 6.19 van de Mediawet 2008 bepaalt dat een programmaraad een reglement dient

vast te stellen waarin onder meer regels zijn opgenomen over de totstandkoming, de

inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking en de geldigheidsduur van het advies van de

programmaraad en dat dit reglement voorziet in een transparante adviesprocedure,

overweegt het Commissariaat het volgende.

49. Voormelde bepaling is imperatief gesteld en gelet op hetgeen de Afdeling heeft

overwogen in zijn eerdergenoemde uitspraak van 12 mei 2010, zal naar het oordeel van

het Commissariaat aan deze bepaling moeten worden voldaan, wil een advies van een

programmaraad worden aangemerkt als een advies als bedoeld in artikel 6.20, tweede lid,

van de Mediawet 2008.

C O M M I S S A R I A A T V D D R D E M E D IA

50. Desgevraagd heeft de PR Utrecht Oost op 17 oktober 2011 zijn verordening toegestuurd.

51. De PR Utrecht Oost is een raadscommissie als bedoeld in artikel 84 van de

Gemeentewet. Hoewel de Verordening is vastgesteld door de gemeenteraad van

Renswoude en niet door de PR Utrecht Oost zelf, kan naar het oordeel van het

Commissariaat worden gesteld dat deze verordening voldoet aan het bepaalde van artikel

6.19 van de Mediawet 2008, althans aan de bedoeling van dit wetsartikel.

52. Het Commissariaat overweegt daartoe het volgende.

53. De Verordening is gebaseerd op de Mediawet (oud) en het Modelreglement

Programmaraden, zoals vastgesteld door het Commissariaat op 20 november 2001. Uit

de Memorie van Toelichting (TK 2002-2003, 28 639, nr. 3, p. 11) blijkt dat

programmaraden die voormeld modelreglement overnemen, in ieder geval voldoen aan

de in artikel 82n (oud) van de Mediawet gestelde eisen.

54. Het Commissariaat stelt vast dat de belangrijkste bepalingen van het modelreglement van

het Commissariaat in de Verordening van de PR Utrecht Oost zijn opgenomen, die de

instelling, de samenstelling en de handelwijze van de PR Utrecht Oost. De procedure met

betrekking tot de totstandkoming, de inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking en de

geldigheidsduur van het advies is eveneens te vinden in de verordening en de website

van de PR Utrecht Oost.

55. Nu de PR Utrecht Oost voldoet aan de dwingend wettelijke vereisten van de Mediawet

2008, stelt het Commissariaat vast dat de PR Utrecht Oost bevoegd is een advies uit te

brengen, zoals bedoeld in artikel 6.20, eerst lid, van de Mediawet 2008.

Motivering/pluriformiteit

56. Ingevolge artikel 6.21, tweede lid, van de Mediawet 2008, dient een programmaraad in

zijn advisering uit te gaan van een pluriforme samenstelling van het pakket aan vrij

toegankelijk programma-aanbod. De programmaraad dient daarbij rekening te houden

met de in de gemeente levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke

behoeften.

57. In het geschil tussen de programmaraden Breda e.o. en Multikabel en Ziggo heeft de

Rechtbank Groningen in zijn uitspraak van 28 februari 2011 aangegeven dat uit de

parlementaire geschiedenis blijkt dat de wettelijke bepalingen van 6.13 en 6.20 van de

Mediawet 2008 zijn bedoeld om veilig te stellen dat kijkers te allen tijde een pluriform

televisiepakket van 15 omroepnetten tot hun beschikking hebben tegen een redelijke prijs.

De Rechtbank Groningen heeft daarbij aangegeven dat uit de wetsgeschiedenis

(Kamerstukken II, 1996-97, 24 808, nr. 21, p. 36) ook valt af te leiden dat een pluriform

wettelijk minimumpakket dient te bestaan uit programma-aanbod van zowel publieke als

commerciële media-instellingen. Rekening houdend met de in de bevolking levende

voorkeuren, zal dat meestal het best bekeken (of beluisterde) Nederlandstalig

programma-aanbod van commerciële media-instellingen zijn.

58. De Rechtbank Groningen overweegt dat de programmaraden in hun advisering niet

mogen anticiperen op een bepaalde omvang en invulling van het boven het wettelijk

C O M M I S S A R I A A T V D D R D E M E D IA

minimumpakket gelegen gedeelte van het analoge pakket, aangezien de kans bestond

dat het analoge pakket verder zou worden beperkt. Daarbij heeft de Rechtbank Groningen

eveneens aangegeven dat onder die omstandigheid en het feit dat de opvattingen over

innovatie en de daarmee gepaard gaande digitalisering van het programma-aanbod in de

loop der jaren zijn veranderd, programmaraden niet klakkeloos hun eerdere adviezen

mogen overnemen en mogen volstaan met een opsomming van de

televisieprogrammakanalen. De Rechtbank Groningen meent dat daarmee de adviezen

van de programmaraden niet draadkrachtig zijn gemotiveerd.

59. De Rechtbank Groningen overweegt voorts dat in de adviezen (van de programmaraden

Breda e.o. en Multikabel) geen programma-aanbod van de commerciële mediainstellingen,

waarnaar in de wetsgeschiedenis werd verwezen, was opgenomen. De

Rechtbank Groningen oordeelde dat daarmee de adviezen van programmaraden in strijd

waren met artikel 6.21, tweede lid, van de Mediawet 2008 en dat van een overtreding van

het bepaalde in artikel 6.20, eerste lid, van de Mediawet 2008 door Ziggo geen sprake

was.

60. Tegen de uitspraak van de Rechtbank Groningen van 28 februari 2011 is weliswaar door

de programmaraden Breda e.o. en Multikabel (en Ziggo) hoger beroep ingesteld bij de

Afdeling, maar het Commissariaat ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van de

uitspraak van de Rechtbank Groningen, omdat het instellen van hoger beroep geen

schorsende werking heeft. Zolang de Afdeling niet anders heeft beslist dient derhalve te

worden uit gegaan van de juistheid van de uitspraak van de Rechtbank Groningen van 28

februari 2011.

61. Gelet op het vorenstaande volgt het Commissariaat de redenering van de Rechtbank

Groningen dat gelet op de gewijzigde omstandigheden voor wat betreft innovatie en de

daaruit voortvloeiende digitalisering van het programma-aanbod een advies van een

programmaraad draagkrachtig moet zijn gemotiveerd en niet mag worden geanticipeerd

op een bepaalde omvang en invulling van het boven het wettelijk minimumpakket gelegen

gedeelte van het analoge pakket als de kans bestaat dat het analoge pakket verder wordt

beperkt. Tevens blijkt uit bovengenoemde uitspraak dat opname van Nederlandstalig

programma-aanbod van commerciële media-instellingen in het wettelijk minimumpakket

vereist is voor de pluriforme samenstelling daarvan.

62. Het Commissariaat stelt in het onderhavige geval vast dat in het TV-advies van de PR

Utrecht Oost een draagkrachtige motivering ontbeert. Het Commissariaat constateert dat

de PR Utrecht Oost in zijn TV-advies volstaat met een opsomming van het programmaaanbod

dat op analoge dient te worden uitgezonden door Ziggo en voorbijgaat aan de

gewijzigde omstandigheden voor wat betreft innovatie en daaruit voortvloeiende

digitalisering van het programma-aanbod. In zijn TV-advies kondigt de PR Utrecht Oost

tevens expliciet aan om het volledige en onveranderde TV-advies 2010, behoudens

wijzigingen met betrekking tot enkele programmakanalen, voor het jaar 2011 te

handhaven.

63. Tevens stelt het Commissariaat vast dat de PR Utrecht Oost in zijn TV-advies heeft

geanticipeerd op de omvang en invulling van het boven het wettelijk minimumpakket

gelegen gedeelte van het analoge pakket, door in het advies ten aanzien van het boven

het wettelijk minimumpakket geleden gedeelde het best bekeken Nederlandstalig

C O M M I S S A R I A A T V O O R D E M E D IA

programma-aanbod van de commerciële media-instellingen op te nemen en daarbij geen

rekening heeft gehouden met de mogelijke wijzigingen aangaande de digitalisering van

het programma-aanbod en de omvang van het analoge pakket.

64. Tevens stelt het Commissariaat in het onderhavige geval vast dat het TV-advies van de

PR Utrecht Oost met betrekking tot het wettelijk minimumpakket, de televisiekanalen van

het zogeheten must carry programma-aanbod bevat. Voorts bevat het advies de

programmakanalen BBC1, BBC2, ARD, TV 5 Monde, MTV, Euronews en WDR.

65. Het Commissariaat constateert derhalve dat het door de PR Utrecht Oost geadviseerde

wettelijke minimumpakket voornamelijk bestaat uit programma-aanbod van publieke

(binnen- en buitenlandse) media-instellingen en in ieder geval niet ook uit het (best

bekeken) Nederlandstalig programma-aanbod van commerciële media-instellingen.

66. Gelet op eerdergenoemde uitspraak van de Rechtbank Groningen van 28 februari 2011

en de uitleg die aan het begrip pluriform wettelijk minimumpakket wordt gegeven, is het

Commissariaat van oordeel dat het TV-advies van de PR Utrecht Oost in strijd is met 6.21,

tweede lid, van de Mediawet 2008.

67. Op grond van het bovenstaande constateert het Commissariaat dat van een overtreding

van het bepaalde in artikel 6.20, tweede lid, van de Mediawet 2008 door Ziggo geen

sprake is en het Commissariaat niet bevoegd is om handhavend op te treden jegens

Ziggo.

Besluit

Het Commissariaat wijst het verzoek van de PR Utrecht Oost tot bestuursrechtelijke

handhaving van artikel 6.20, tweede lid, van de Mediawet 2008 af.

Hilversum, 20 december 2011

COMMISSARIAAT VOOR DE MEDIA,

prof. dr. Tineke Bahlmann

voorzitter

prof. mr. dr. Madeleine de Cock Buning

commissaris

Belanghebbenden die zich met dit besluit niet kunnen verenigen, kunnen op grond van de Algemene wet

bestuursrecht binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is bekendgemaakt bezwaar maken bij het

Commissariaat voor de Media, postbus 1426,1200 BK te Hilversum.

C O M M I S S A R I A A T V D D R D E M E D IA

Bijlage: relevante wetsartikelen

Artikel 6.13, eerste lid, van de Mediawet 2008:

"1. Als een significant aantal aangeslotenen op een omroepnetwerk programmaaanbod

op analoge wijze ontvangt, verspreidt de aanbieder van dat omroepnetwerk

naar die aangeslotenen in ieder geval ongewijzigd en vrij toegankelijk programmaaanbod

op ten minste vijftien omroepnetten voor televisie en op ten minste

vijfentwintig omroepnetten voor radio, waaronder:

a. het programma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst op drie algemene

televisieprogrammakanalen en vijf algemene radioprogrammakanalen;

b. het in artikel 2.70 bedoelde programma-aanbod van de regionale publieke

mediadienst dat bestemd is voor de provincie of deel van de provincie waarbinnen

het omroepnetwerk zich bevindt op één omroepnet voor televisie en één omroepnet

voor radio;

c. het in artikel 2.70 bedoelde programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst

dat bestemd is voorde gemeente waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt op

één omroepnet voor televisie en één omroepnet voor radio;

d. het programma-aanbod van twee televisieprogrammakanalen en twee

radioprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare

omroepdienst; en

e. ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel c, dat een lokale publieke

media-instelling verzorgt en dat gericht is op specifieke bevolkings- en

leeftijdsgroepen, waaronder minderheden, met dien verstande dat deze verplichting

beperkt is tot het programma-aanbod op ten hoogste twee omroepnetten voor

televisie en vijf omroepnetten voor radio."

Artikel 6.15 van de Mediawet 2008:

" l /n gemeenten waar een omroepnetwerk aanwezig is, stelt de gemeenteraad een

programmaraad, in."

"2. De programmaraad is representatief voor de belangrijkste in de gemeente of

gemeenten voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke

stromingen en beschikt als geheel over voldoende kennis van de informatiebehoeften

van bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling

binnen het kijk- en luisterpubliek.

Artikel 6.16, eerste lid, van de Mediawet 2008:

"1. De programmaraad bestaat uit ten minste zeven en ten hoogste viptien leden, die

worden benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar het omroepnetwerk

aanwezig is."

Artikel 6.19 van de Mediawet 2008

"1. Een programmaraad stelt een reglement vast waarin in ieder geval regels zijn

opgenomen over:

a. de wijze waarop de instelling, de taak en de samenstelling van de programmaraad

kenbaar wordt gemaakt aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in het

gebied waarop het advies betrekking heeft; en

b. de totstandkoming, de inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking en de

geldigheidsduur van het advies van de programmaraad.

2. het reglement voorziet in een transparante adviesprocedure."

-11 -

C O M M I S S A R I A A T V D D R D E M E D IA

Artikel 6.20, van de Mediawet 2008:

"1. De programmaraad adviseert de aanbieder van het omroepnetwerk welk vrij

toegankelijk programma-aanbod op vijftien omroepnetten voor televisie en

vijfentwintig omroepnetten voor radio hij krachtens artikel 6.13, eerste lid, ten minste

verspreidt naar alle aangeslotenen op het netwerk.

2. De aanbieder van een omroepnetwerk volgt het advies, bedoeld in het eerste lid,

tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

3. De aanbieder van een omroepnetwerk kan de programmaraad voorts een advies

vragen over het overige vrij toegankelijke programma-aanbod dat hij verspreidt naar

alle aangeslotenen op het omroepnetwerk."

Artikel 6.21, tweede lid, van de Mediawet 2008

"2. Onverminderd de artikelen 6.13 en 6.14, gaat de programmaraad in zijn

advisering uit van een pluriforme samenstelling van het pakket aan vrij toegankelijk

programma-aanbod, rekening houdend met de in de gemeente levende

maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften."

Artikel 7.11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Mediawet 2008:

"1. Het Commissariaat is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het

bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van:

a. de artikelen 2.2 tot en met 2.22, 2.24 tot en met 2.33, 2.34a tot en met 2.341, 2.36

tot en met 2.41, 2.53 tot en met 2.57, 2.59, 2.60, 2.73 tot en met 2.87, 2.125 tot en

met 2.131, 2.143 tot en met 2.145, 2.149, 2.150, eerste lid, 2.151, eerste lid, 2.158,

2.163, 2.164, eerste en tweede lid, 2.166 tot en met 2.168, 2.180 tot en met 2.187, 4.2

tot en met 4.5 en 6.26; en

b. hoofdstuk 8."

Artikel 7.12, eerste en derde lid, van de Mediawet 2008:

"1. Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van

de artikelen 2.34, eerste lid, 2.58, onderdelen a tot en met c, en e, en 2.170, of artikel

5:20 van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat aan de overtreder

een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 225 000 per overtreding.

3. Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.132 tot en met

2.134, 6.10 tot en met 6.14 en 6.20 kan het Commissariaat aan de overtreder een

last onder dwangsom opleggen."

Bron: http://www.programmaraadutrechtoost.nl/?news/own/message/15

Reacties:

Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.

Reageer

Let op: verplichte velden zijn gemarkeerd (*)

Code invoeren
Neem deze code over in het onderstaande veld
Algemeen
Mail toekomstige reacties naar mij.