Nieuws
toekomst consumenteninvloed: brief minister (05-12-2011)
Programmaraden
> Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum 5 december 2011
Betreft Wijziging Mediawet i.v.m. distributie wettelijk minimumpakket radio
en televisie
In deze brief presenteer ik een eigentijdse regeling om mensen te verzekeren van
een gevarieerd minimumpakket van televisiezenders op alle distributienetwerken.
Onderdelen van deze brief zijn mede gebaseerd op een breder onderzoek van
TNO en IVIR (Instituut voor Informatierecht). Het eindrapport ontvangt de Kamer
ter informatie als bijlage.1
1. Plaatsbepaling: motieven voor mediabeleid
Algemene doelstellingen
Media hebben grote maatschappelijke impact. Zij zijn leveranciers van nieuws en
informatie, fora voor meningsvorming en debat, podia voor culturele expressie en
een bron van vermaak. Met het oog op deze maatschappelijke impact is het
belangrijk dat media onafhankelijk zijn, een variatie aan opvattingen en
interesses bestrijken, kwaliteit hoog in het vaandel dragen en rekening houden
met kwetsbare groepen, zoals minderjarigen. Verder is belangrijk dat een
gevarieerd aanbod onder handbereik is van de hele bevolking - jong en oud, stad
en land, rijk en arm.
Het merendeel van het media-aanbod komt op de markt tot stand, maar de
bovengenoemde publieke belangen zijn niet vanzelfsprekend verzekerd. Daarom
bevordert de overheid in alle Europese landen onafhankelijkheid, verscheidenheid
en kwaliteit op de mediamarkt.2 De hoofdmoot van het mediabeleid is gericht op
de publieke omroep. Er is daarnaast beperkte steun en/of regelgeving voor de
1 Audiovisuele mediadistributie, bottlenecks en beleid. Agenderende studie naar potentiële
bottlenecks voor distributie van televisie en audiovisuele content en beleidsopties. Rapport
van TNO en IVIR in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 30
november 2011.
2 Omdat audiovisuele media over de grenzen worden aangeboden, stellen diverse Europese
richtlijnen daarbij (minimum)kaders.
Rijnstraat 50
Den Haag
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag
www.rijksoverheid.nl
Onze referentie
350010
Pagina 1 van 10
Pagina 2 van 10
Onze referentie
350010
pers en commerciële omroep, omdat ook deze media maatschappelijke impact
hebben.
Zonder toegang tot distributienetwerken kunnen audiovisuele media en publiek
elkaar niet bereiken. De Mediawet 2008 bevat daarom ook regels voor
omroepdistributie. De wet verzekert allereerst dat mensen de belangrijkste
publieke zenders kunnen ontvangen en bevordert daarnaast in bredere zin de
verspreiding van een gevarieerd audiovisueel aanbod. Deze brief concentreert
zich op wijziging van de regels rondom distributie van een wettelijk
minimumpakket van radio en televisie op de kabel en andere netwerken.
Relatie met telecommunicatiebeleid
De markt voor distributie van audiovisuele media wordt behalve door het
mediabeleid, beïnvloed door telecommunicatiebeleid. Het gaat dan onder meer
om de verdeling van etherfrequenties, regels voor netwerkneutraliteit en
consumentenbescherming. Van belang zijn verder de bevoegdheden van de
Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de Nederlandse
Mededingings Autoriteit (straks samen de Autoriteit Consument en Markt) om op
te treden wanneer partijen beschikken over of misbruik maken van een
economische machtspositie.
Het telecommunicatiebeleid en het mediabeleid dienen verschillende doelen, met
andere instrumenten en binnen verschillende Europese kaders. Er is wel een
onderlinge relatie. Het telecommunicatiebeleid draagt bij aan concurrentie op de
markt voor omroepdistributie; het mediabeleid kan onafhankelijk van marktfalen
minimum eisen stellen in het belang van een gevarieerd audiovisueel mediaaanbod.
Europese context
De Europese telecommunicatierichtlijnen geven lidstaten ruimte om distributie
van een gevarieerd audiovisueel aanbod te bevorderen, maar stellen daarvoor wel
kaders. De Europese Universeledienstenrichtlijn bepaalt dat lidstaten
doorgifteverplichtingen mogen opleggen aan netwerken die voor een significant
aantal eindgebruikers het belangrijkste middel vormen om radio en televisie te
ontvangen. Nationale doorgifteverplichtingen dienen verder een duidelijk
omschreven algemeen belang te dienen, evenredig te zijn en transparant.
In dit verband past een verwijzing naar een amendement op de Mediawet 2008
dat de Tweede Kamer in juni 2011 heeft aangenomen en dat kabelbedrijven
verplicht hun analoge standaardpakket te laten doorverkopen door derden.3 Het
amendement is onderdeel van een wetsvoorstel tot wijziging van de
Telecommunicatiewet.4 De Eerste Kamer heeft vragen gesteld over de
Europeesrechtelijke houdbaarheid. Het kabinet verwijst kortheidshalve naar de
antwoorden op deze vragen die ongeveer gelijktijdig met deze brief naar de
Eerste Kamer worden gestuurd.
3 Kamerstukken II, 2010/11, 32 549, nr.28
4 Kamerstukken I, 2010/11, 32 594
Pagina 3 van 10
Onze referentie
350010
2. Aanleiding voor wijziging van de Mediawet
Kabelbedrijven moeten een basispakket aanbieden van minimaal 15 televisie- en
25 radiozenders. In het wettelijke minimumpakket zijn in elk geval de televisieen
radiozenders van de landelijke, regionale, lokale en Vlaamse publieke omroep
opgenomen. Voor deze zenders geldt een zogenoemde must carry. Lokale
programmaraden adviseren over de keuze van de overige zenders, maar alleen
voor het analoge kabelpakket. Er is aanleiding om deze bepalingen in de
Mediawet 2008, die stammen uit 1995, tegen het licht te houden.
Ten eerste zijn er toenemende bezwaren tegen het systeem van lokale
programmaraden. De advisering door programmaraden is omslachtig, soms
ondoorzichtig, past niet meer bij de bovenregionale exploitatie van
kabelnetwerken en geeft aanleiding tot steeds meer geschillen die eindigen bij het
Commissariaat voor de Media of de rechter. Niet alleen de kabelbedrijven, maar
ook commerciële omroepen en gemeenten zijn ongelukkig met het systeem. In
2006 startte de Europese Commissie een inbreukprocedure omdat de rol van
programmaraden onvoldoende transparantie en rechtszekerheid zou bieden. In
2009 is de procedure beëindigd, mede omdat Nederland aanpassing heeft
toegezegd.
Tabel 1 - Aantal abonnementen kabelbedrijven en overige aanbieders van
radio en televisiepakketten
bronnen: NL.Kabel, KPN en Reggefiber Q3 2011, overige Telecompaper Q2 2011
alleen
analoog
x 1000
digitaal
x 1000
totaal
x 1000
% digitaal
Ziggo 920 2.101 3.021 70
UPC 864 974 1.838 53
DELTA 68 88 156 56
CAIW 0 146 146 100
Kabel rest (*) 145 78 223 35
Totaal kabelbedrijven 1.997 3.387 5.384 63%
KPN (incl Digitenne,
XS4ALL en Telfort)
(ether, DSL en FttH)
0 1.342 1.342 100
Canal Digitaal (satelliet) 0 775 775 100
Tele2 (DSL) 0 236 236 100
T-Mobile (satelliet,
ether)
0 15 15 100
Satelliet rest 0 67 67 100
Fiber to the Home rest
(Reggefiber, Vodafone
e.a.)
108 132 240 55
Totaal overige RTV
pakketaanbieders
108 2.567 2.675 96%
(*) Sommige kleine kabelbedrijven benutten het digitale platform van Ziggo, UPC of CAIW.
Hun digitale abonnees zijn meegenomen in de cijfers van Ziggo, UPC en CAIW.
Pagina 4 van 10
Onze referentie
350010
Ten tweede is de markt voor televisiedistributie aanzienlijk veranderd (zie Tabel
1). Anno 2011 ontvangen nog steeds 5,4 miljoen huishoudens televisie via de
kabel, maar er is concurrentie: 2,7 miljoen huishoudens hebben een abonnement
bij aanbieders op andere netwerken. Verder is er dankzij digitalisering meer
capaciteit op alle netwerken. Was het analoge kabelpakket gemiddeld 30 zenders
groot, de meeste digitale televisiepakketten bevatten standaard 50 tot 60
zenders. Alleen het digitale televisiepakket in de ether is wegens beperkte
capaciteit kleiner. Daarnaast kunnen mensen veelal pluspakketten afnemen met
meer of andere zenders, zich abonneren op premium zenders, en programma’s en
films op aanvraag (terug)kijken. De grote aanbieders maken zich op om hun
abonnees overal en altijd te bedienen, thuis op grote schermen, in en rondom het
huis en onderweg op kleine mobiele schermen. Al met al valt er voor kijkers dus
meer te kiezen dan in de jaren negentig, toen de regels rondom het basispakket
van kracht werden.
Tegen deze achtergrond rijst de vraag welke waarborgen de overheid moet
scheppen voor distributie van een gevarieerd audiovisueel aanbod.
3. Analyse van marktontwikkelingen
Pakketaanbieders als poortwachters
In het huidige medialandschap is een sleutelrol weggelegd voor
pakketaanbieders. Zij fungeren als een soort poortwachters: zij bepalen mede of
en hoe omroepen en publiek elkaar bereiken5 en zij beïnvloeden de
inkomstenstromen voor audiovisuele media. Deze rol neemt diverse gedaanten
aan:
- Pakketaanbieders bepalen de omvang, de samenstelling en de prijs van
pakketten met (lineaire) televisiezenders. Zij doen dat in onderhandeling met
omroepen en rekening houdend met de vraag van consumenten. Maar
pakketaanbieders zijn geen neutraal doorgeefluik: zij maken eigen
bedrijfsmatige afwegingen om hun marktaandeel en inkomsten te vergroten.
- Pakketaanbieders bepalen de positie van zenders op de afstandsbediening, in
de elektronische programmagids en andere navigatie- en zoekfuncties voor
digitale televisie. Hoe groter het aanbod, hoe belangrijker dergelijke
navigatiemiddelen zijn.
- Pakketaanbieders beheren de financiële relatie met de klant. Deze rol is
belangrijk omdat alle partijen zoeken naar manieren om voldoende inkomsten
te verwerven voor bestaande en nieuwe audiovisuele diensten.
- Bij de exploitatie van on demand diensten komen pakketaanbieders en
omroepen soms direct in elkaars vaarwater. Beiden strijden om rechten op
buitenlandse films en dramaseries voor on demand diensten.
5 Uitzondering is nu de publieke omroep die voor drie landelijke zenders en voor de
regionale zenders beschikt over een eigen multiplex in de ether. De exploitatie van het
netwerk wordt gedeeld met KPN Digitenne, maar mensen kunnen de landelijke en regionale
publieke zenders desgewenst ook zonder abonnement (gratis) via de ether ontvangen.
Pagina 5 van 10
Onze referentie
350010
Toekomstscenario’s
Voor het mediabeleid is een kernvraag hoe de omvang en samenstelling van
digitale televisiepakketten zich de komende jaren ontwikkelt.
Pakketaanbieders kunnen onderling blijven concurreren met grote
standaardpakketten van 50 tot 60 zenders. Maar pakketaanbieders kunnen er ook
voor kiezen om hun standaardpakket kleiner te maken en de overige zenders
spreiden over meer pluspakketten. Een dergelijke bedrijfsstrategie kan de keuze
voor mediagebruikers verhogen, maar ook nadelige effecten hebben, bijvoorbeeld
wanneer een gezin om in de basisbehoeften te voorzien meerdere kleine
pluspakketten moet afnemen. Ook voor omroepen zijn er in een dergelijk scenario
kansen en bedreigingen. Opname in een pluspakket is aantrekkelijk voor
gespecialiseerde zenders die hun inkomsten uit doorgiftevergoedingen of
rechtstreekse betaling door abonnees willen verhogen. Voor de publieke zenders
en voor de meeste commerciële Nederlandstalige zenders is opname in een breed
standaardpakket belangrijk, omdat ze alleen zo voldoende publiek en reclameinkomsten
kunnen verwerven.
Wanneer pakketaanbieders kijkers de mogelijkheid zouden gaan geven om
zenders per stuk af te nemen, kunnen kijkers naar eigen wens een persoonlijk
pakket samenstellen, maar omdat dit minder efficiënt is zullen de kosten per
zender dan mogelijk hoger zijn. De vraag is ook of omroepen bereid zijn hun
zenders per stuk beschikbaar te stellen in plaats van in combinatie met andere
zenders. Hun bereik en inkomsten kunnen daardoor immers dalen.
Op de langere termijn kunnen over the top diensten op het open internet
concurrentie gaan vormen voor pakketaanbieders. Dergelijke diensten hebben nu
echter nog een zeer gering marktaandeel.
4. Doel van de wetswijziging
Minimumwaarborgen in de Mediawet
De richting en het tempo van ontwikkelingen zijn moeilijk te voorspellen.
Uitgaand van de huidige situatie wil het kabinet minimumwaarborgen scheppen
voor de komende vijf tot tien jaar. Daarbij gelden twee uitgangspunten:
- De overheid dient zo veel mogelijk als achtervang te fungeren voor de
distributie van de publieke omroep. Om de publieke taak effectief uit te
voeren en daarnaast financiering uit belastingmiddelen te rechtvaardigen,
moet de publieke omroep de hele Nederlandse bevolking daadwerkelijk
bereiken. De overheid kan dit niet helemaal aan onderhandelingen tussen de
publieke omroep en marktpartijen overlaten.
- De overheid blijft ook in bredere zin verantwoordelijk voor distributie van een
gevarieerd televisieaanbod, met inbegrip van binnenlandse commerciële
zenders en buitenlandse publieke en commerciële zenders. Gezien de
toegenomen concurrentie en distributiecapaciteit, kunnen bepalingen in de
Mediawet op dit punt wel minder ingrijpend zijn.
Bredere en techniekneutrale grondslag
De tijd is rijp om de mediawettelijke verplichtingen onafhankelijk te maken van
het type netwerk en het eigendom van een netwerk en alle pakketaanbieders te
Pagina 6 van 10
Onze referentie
350010
laten meedelen in dezelfde maatschappelijke opdracht.6 Andere Europese landen
zijn Nederland hierin voorgegaan.7 Een techniekneutrale regeling zorgt ervoor dat
de beoogde effecten over een brede linie en voor langere termijn worden
gerealiseerd. Ook bevordert dergelijke wetgeving een gelijk speelveld tussen
pakketaanbieders.
De aangepaste regels in de Mediawet gaan gelden voor aanbieders van
televisiepakketten. Dit zijn partijen die televisiezenders en andere audiovisuele
diensten van derden (al of niet aangevuld met eigen inhoud) bundelen in
pakketten en via een elektronisch communicatienetwerk verspreiden naar een
afgebakende groep abonnees. Aanbieders op het open internet die voor iedereen
zijn te bereiken vallen er dus niet onder, evenmin als aanbieders die alleen eigen
zenders verspreiden, zoals tot 2005 gold voor de filmzenders van Canal+. Een
pakketaanbieder valt onder de Mediawet 2008 indien zijn activiteiten op
Nederland zijn gericht. Kleine en beginnende pakketaanbieders worden ontzien;
de aangepaste regels gelden vanaf een drempel van 250.000 abonnees.
Verzekerde distributie van de publieke omroep
De must carry voor de belangrijkste publieke televisiezenders gaat behalve voor
kabelbedrijven ook voor andere grote pakketaanbieders gelden. Het gaat dan om
verplichte doorgifte van de drie algemene publieke landelijke televisiezenders,
twee televisiezenders van de Vlaamse publieke omroep, per provincie één
regionale publieke televisiezender8 en per gemeente één lokale publieke
televisiezender. De publieke zenders nemen aldus – gerekend per lokaal/regionaal
verzorgingsgebied - zeven plaatsen in. Ook dienen pakketaanbieders die naast
televisie ook radio doorgeven, de vijf algemene landelijke publieke radiozenders,
één regionale en één lokale publieke radiozender en twee Vlaamse publieke
radiozenders door te geven.
Het wetsvoorstel zal de must carry niet uitbreiden naar al het landelijke publieke
media-aanbod, zoals themakanalen en Uitzending Gemist. Dit zou de
distributiecapaciteit van pakketaanbieders onevenredig belasten en mogelijk
onbedoeld nadelige effecten hebben voor de distributie van commerciële
omroepen.
Een voorbehoud geldt voor de distributie van de 290 lokale publieke omroepen,
waarvan er 137 televisie verzorgen (in 2011). De satelliet kan niet per gemeente
een ander aanbod uitzenden en ook voor digitale ethertelevisie is dit technisch en
economisch geen haalbare kaart. Kabelnetwerken en glasvezelnetwerken kunnen
wel op lokaal niveau zenders “inprikken” en verspreiden. Voor digitale
televisiedistributie op basis van het internetprotocol (IPTV) over zowel het
voormalige telefoonnetwerk als kabel en glasvezel gelden weer andere
6 De voorgestelde regeling komt daarmee tegemoet aan moties van de TK over
consumenteninvloed op KPN Digitenne. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 VIII, nr. 47.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 700 VIII, nr. 47.
7 Zie rapport TNO IVIR hoofdstuk 7.
8 Kabelbedrijven dienen op grond van de Mediawet 2008 tevens de regionale
televisiezenders in aangrenzende provincies door te geven.
Pagina 7 van 10
Onze referentie
350010
wetmatigheden. In beginsel is er op het hoofdnet geen distributieschaarste en
wordt aanbod klaargezet op servers. Pas wanneer huishoudens een zender
daadwerkelijk opvragen, wordt de aansluiting tussen het hoofdnet en een
huishouden belast. Om distributie van lokale zenders te regelen, moeten wel door
zowel lokale omroepen als pakketaanbieders technische voorzieningen worden
getroffen. Het kabinet zal voor het wetsvoorstel nader onderzoeken of het
haalbaar en redelijk om alle pakketaanbieders op draadgebonden netwerken te
verplichten tot digitale doorgifte van lokale televisie.
Indien publieke omroepen zelf capaciteit hebben of inkopen op een netwerk, zoals
nu het geval is voor digitale ethertelevisie en satelliet, dan geldt voor
pakketaanbieders op ditzelfde netwerk een wettelijke vrijstelling van de must
carry. Samenwerking bij de exploitatie en/of marketing, zoals nu met
KPN/Digitenne en Canal Digital blijft mogelijk.
Toegang tot een gevarieerd minimumpakket
Om toegang tot een gevarieerd minimumpakket te bevorderen wordt de omvang
van het digitale wettelijke minimumpakket verhoogd van 15 naar 30
televisiezenders. Deze verhoging is in lijn met de toegenomen
distributiecapaciteit. Afgezien van de bij wet voorgeschreven doorgifte van
publieke zenders (zie boven) zijn aanbieders vrij zelf te kiezen met welke zenders
zij het minimumpakket invullen. Pas boven het minimum van 30 zenders kunnen
pakketaanbieders zenders spreiden over pluspakketten. Een pakket van deze
omvang is niet te vullen met alleen de grootste Nederlandstalige zenders.
Pakketaanbieders zullen daarnaast een selectie maken uit kleinere en
buitenlandse publieke en commerciële zenders, en daardoor tegemoet komen aan
verschillende voorkeuren van grotere en kleinere doelgroepen binnen het publiek.
Niet alleen consumenten profiteren daarvan, maar ook commerciële omroepen die
voor hun bereik en reclame-inkomsten afhankelijk zijn van opname in een breed
pakket.
In de wet wordt een afwijkende regeling getroffen voor digitale ethertelevisie. In
overeenstemming met de nu beschikbare ethercapaciteit en gebruikte
uitzendtechnieken wordt voor KPN Digitenne en tot 2017 het wettelijk
minimumpakket vastgesteld op 25 televisiezenders.
In de gewijzigde Mediawet 2008 wordt het aantal radiozenders dat aanbieders
opnemen in hun pakket(ten) vrij gelaten. Deze vereenvoudiging heeft twee
redenen. Ten eerste is de ether een belangrijke infrastructuur voor radio en
hebben naast de publieke omroepen ook de best beluisterde Nederlandstalige
commerciële stations eigen etherfrequenties. Ook buitenlandse radiozenders zijn
in de ether te ontvangen. Ten tweede zijn er in de praktijk weinig
verdelingsproblemen rondom de doorgifte van radiokanalen op de kabel. Ook de
meeste alternatieve pakketaanbieders geven een groot aantal radiozenders door
indien dit technisch mogelijk is.
Er zijn alternatieven om distributie van een gevarieerd minimumpakket te
regelen, maar deze wijst het kabinet om verschillende redenen af.
Een eerste optie is om commerciële omroepen in aanmerking te laten komen voor
verplichte doorgifte op één of meer netwerken. In Europese landen waar dit
gebeurt, is een must carry status voorbehouden aan slechts enkele nationale
commerciële televisiezenders aan wie de overheid ook etherfrequenties gunt en
Pagina 8 van 10
Onze referentie
350010
die bovendien aan bepaalde programmatische eisen voldoen die de Europese
richtlijn voor audiovisuele mediadiensten te boven gaan. Een dergelijke
systematiek past niet in de Nederlandse beleidstraditie, die stoelt op minimale
inhoudelijke bemoeienis met commerciële televisie.
Een tweede optie is om het Commissariaat voor de Media de taak te geven om de
pluriformiteit van het wettelijke minimumpakket (achteraf) te beoordelen en
daarvoor (vooraf) richtlijnen op te stellen door programmacategorieën te
benoemen die in het wettelijke minimumpakket vertegenwoordigd moeten zijn.
Ook dit zou een vorm van inhoudelijke overheidsbemoeienis met het
televisiepakket introduceren die het kabinet onnodig en onwenselijk vindt.
Een derde optie is om consumenteninvloed op een wettelijk minimumpakket van
15 zenders te handhaven, zoals het ‘waarborgmodel’ dat de toenmalige minister
van Onderwijs Cultuur en Wetenschap heeft voorgesteld in 2009. In dit model
worden de lokale programmaraden vervangen door verplicht
consumentenonderzoek, aangevuld met advisering over twee zenders door
regionale klantenraden. Dit waarborgmodel is omslachtig, zal aanleiding blijven
geven tot juridische procedures en houdt onnodige regeldruk in stand.
Alles afwegend is de verhoging van de omvang van het digitale wettelijke
minimumpakket van 15 naar 30 televisiezenders de beste manier om een
gevarieerd basispakket veilig te stellen. De regeling respecteert de
ondernemingsvrijheid zoveel mogelijk, introduceert geen inhoudelijke
overheidsbemoeienis met commerciële televisie en biedt voldoende waarborgen
voor pluriformiteit. Concurrentie tussen pakketaanbieders doet de rest. Indien een
pakketaanbieder een economische machtspositie verwerft of misbruikt, dan is de
(toekomstige) Autoriteit voor Consument en Markt bevoegd om op te treden.
Overgang van analoge naar digitale kabeltelevisie
De Mediawet 2008 staat volledige omschakeling van analoge naar digitale
televisiedistributie niet in de weg, maar zolang een kabelbedrijf analoge televisie
doorgeeft moet het basispakket minimaal 15 zenders bevatten. Deze bepaling
wordt bij de wetswijziging gehandhaafd. Het kabinet wil innovatie niet
tegenhouden, omdat de meeste consumenten en ook omroepen hierbij baat
hebben. Op de plaats van een analoge zender kan een kabelbedrijf tot acht
digitale zenders doorgegeven, of vier in hogere uitzendkwaliteit. Het is aan
kabelbedrijven om de overgang van hun abonnees naar digitale televisie te
begeleiden en het is aan de abonnees om een andere aanbieder te overwegen
wanneer de dienstverlening hen niet tevreden stelt.
Relevant zijn in dit verband regels voor consumentenbescherming in de
Telecommunicatiewet. De wet stelt onder meer eisen aan de informatie die
pakketaanbieders de consument verstrekken voor aanschaf van een product
(welke diensten tegen welke tarieven, de contractsduur e.d.). Daarnaast heeft de
OPTA sinds 5 januari 2010 een beoordelingskader waarin is vastgelegd dat het
recht op beëindiging van een contract ook van toepassing is op
programmadiensten. De OPTA heeft zich op het standpunt gesteld dat een
wijziging in het zenderaanbod (niet zijnde een uitbreiding) niet snel aantoonbaar
in het voordeel van de abonnee is. Dit betekent dat de abonnee deze
televisiedienst kosteloos kan opzeggen. Als deze dienst onderdeel is van een
bundel met andere diensten zoals internet en telefonie, dan kan de gehele bundel
kosteloos worden opgezegd.
Pagina 9 van 10
Onze referentie
350010
5. Tot slot
Met de bovengeschetste wijziging van de Mediawet wil het kabinet op eigentijdse
en toekomstgerichte wijze verzekeren dat zowel kijkers als omroepen toegang
houden tot een gevarieerd minimumpakket van televisiezenders op alle
netwerken. De regeling realiseert verder een gelijk speelveld tussen
pakketaanbieders. Zodra deze wijziging van de Mediawet ingaat, zullen de lokale
programmaraden die adviseren over het analoge kabelpakket verdwijnen. Omdat
er geen alternatieve wettelijke consumenteninvloed komt, is de regeldruk
beperkt.
Het streven is het wetsvoorstel na de zomer van 2012 in te dienen bij de Tweede
Kamer en de bepalingen per 1 juli 2013 in werking te laten treden.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart
Pagina 10 van 10
Onze referentie
350010
SAMENVATTING VOORSTEL
Kabelbedrijven en andere aanbieders van televisiepakketten fungeren als
poortwachters: zij bepalen de omvang en samenstelling van pakketten en
daarmee de mogelijkheid dat omroepen en publiek elkaar bereiken. Gezien de
maatschappelijke impact van televisie, wil het kabinet de distributie van een
gevarieerd aanbod op alle netwerken blijven bevorderen. Na de zomer van 2012
zal het kabinet een wetsvoorstel naar de Kamer sturen dat de bepalingen rondom
het basispakket op de kabel in de Mediawet wijzigt.
De meeste digitale standaardpakketten bevatten nu 50 tot 60 televisiezenders.
Het kabinet wil in de Mediawet vastleggen dat het digitale standaardpakket niet
kleiner mag zijn dan 30 televisiezenders. Pas boven dit aantal mogen
pakketaanbieders zenders spreiden over pluspakketten. Zo houden Nederlandse
huishoudens toegang tot een gevarieerd minimumpakket. De regeling is ook
gunstig voor commerciële omroepen die voor hun bereik en reclame-inkomsten
afhankelijk zijn van opname in een breed pakket. In het wettelijk minimumpakket
zijn de belangrijkste publieke radio en televisiezenders verplicht opgenomen. Voor
het overige kunnen de pakketaanbieders zelf de samenstelling bepalen. Voor
radio geldt geen minimum aantal zenders.
Zodra de gewijzigde Mediawet in werking treedt, zullen de lokale
programmaraden die nu adviseren over het analoge kabelpakket verdwijnen.
Kortom: de regels worden eenvoudiger maar gaan breder gelden. Op deze manier
wordt met beperkte regeldruk meer maatschappelijk effect bereikt.
Bron: http://www.programmaraadtwente.nl/?news/own/message/24
Reacties:
Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.
