Nieuws
Einde monopoliepositie huidige kabelexploitanten?
Programmaraden
24 095 Frequentiebeleid26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
Nr. 235 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN,EN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 maart 2009
De afgelopen jaren hebben wij u geïnformeerd1 over de ontwikkelingen op de markten voor elektronische communicatie, media en omroep. Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in de markt voor elektronische communicatie is convergentie. Onder convergentie verstaat het kabinet «het naar elkaar toegroeien van de sectoren ICT, telecommunicatie en audiovisuele diensten en inhoud, gekenmerkt door het feit dat vergelijkbare diensten te ontvangen zijn via verschillende vaste of draadloze distributienetwerken en toegankelijk zijn via verschillende multifunctionele apparaten». Als gevolg van convergentie vervagen de scheidingen tussen verschillende markten en krijgen zittende partijen te maken met nieuwe concurrenten. In juni 2008 gaf het kabinet zijn visie op de gevolgen van convergentie in deze markten.2 Het naar elkaar toe groeien van netwerken en diensten leidt tot meer keuze voor de consument omdat er nieuwe aanbieders ontstaan en de reeds actieve marktpartijen hun aanbod verbreden. Of en hoe convergentie zich verder doorzet is nu nog onduidelijk. Wel kan geconcludeerd worden dat de scheiding tussen de markten voor telecommunicatie en omroepdistributie in de afgelopen jaren als gevolg van convergentie is vervaagd.
De toename van het aantal infrastructuren waarmee gelijksoortige diensten kunnen worden aangeboden, brengt ook vragen met zich mee over het gebruik en de toegang tot die infrastructuren. Tussen aanbieders van telefonie en internettoegang is sprake van stevige concurrentie, waardoor consumenten de keuze hebben uit een ruim aanbod van betaalbare en kwalitatief hoogwaardige diensten. Tegelijk wordt geconstateerd dat de concurrentie op de analoge televisiemarkt zeer beperkt is. Door de toename van het aantal platformen voor de distributie van radio en televisie wordt ook de vraag actueel hoe de beschikbaarheid van de publieke omroep op de verschillende infrastructuren kan worden gewaarborgd.
Deze vragen worden in het eerste deel van deze brief beantwoord. Daarmee komt het kabinet enkele toezeggingen na, gedaan in de brief over «Infrastructuren voor omroepdiensten»3 en mondeling aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2008–2009
KST128749
0809tkkst24095-235
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2009
1 Onder meer de Nota Omschakelbeleid
2006–2015 (Kamerstukken II, 2005–2006,
24 095, nr. 195), Beleidskader Elektronische
Communicatie (Kamerstukken II, 2005–2006,
26 643, nr. 81) en het Rapport «Digitale infrastructuren
voor distributie van omroepdiensten
» (Kamerstukken II, 2006–2007,
24 095, nr. 209). Daarnaast gaf het Kabinet
haar visie op de toekomst van de publieke
omroep en is het wetsvoorstel voor de nieuwe
Mediawet door uw Kamer aangenomen
(Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 VIII,
nr. 14).
2 Beleidsbrief Convergentie: de consument
aan het roer in veranderende markten voor
ICT, telecommunicatie en audiovisuele media
(Kamerstukken II, 2007–2008, 26 643 en 24 095,
nr. 126).
3 Kamerstukken II, 2006–2007, 24 095, nr. 209.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 1
Tweede Kamer tijdens het Algemeen Overleg op 1 november 2007 over de
mededinging op de kabel. Deze brief is tevens een reactie op de moties
over de toegang tot de kabel1 en bouwt voort op de kabinetsreactie op het
WRR-rapport «Focus op functies».2
In deze brief wordt tevens ingegaan op een aantal toezeggingen over de
toekomstbestendigheid van de inrichting van het toezicht in de markt voor
elektronische communicatie en media.3 In reactie op een motie van het lid
Graus4 heeft de staatssecretaris al aangegeven dat er geen aanleiding is
tot herinrichting van het toezicht. Hij heeft u daarbij toegezegd dit schriftelijk
toe te lichten.5 In het tweede deel van deze brief treft u deze toelichting
aan. Hierbij wordt ook ingegaan op de toezegging over de doelmatigheidsindicatoren
voor OPTA.6
De markt voor elektronische communicatie wordt beïnvloed door zowel
het telecommunicatie- als het mediabeleid. Dat vraagt om afstemming
van beide beleidsterreinen. Met deze brief informeren de staatssecretaris
van Economische Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
u daarom gezamenlijk over voornoemde onderwerpen. In dit voorjaar
zal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap u afzonderlijk
informeren over de consumenteninvloed en het waarborgen van een
pluriform programma-aanbod op de kabel en ether.7
Tijdens het AO over de ICT-agenda is gevraagd naar een overzicht van de
breedbanddekking in Nederland8. Bij deze maken wij van de gelegenheid
gebruik hierop te reageren. Voor wat breedbanddekking betreft, staat
Nederland er gunstig voor. 98,25% van het aantal adressen in Nederland
heeft DSL dekking (> 1,5 Mb) en 98% van de kabelhuishoudens in Nederland
kan breedbandige internettoegang krijgen.9 In gebieden waar geen
vaste breedbandige infrastructuur aanwezig is, worden investeringen in
vaste infrastructuur niet bedrijfsmatig verantwoord geacht door aanbieders.
Dit zijn gebieden versnipperd over het land waar door het geringe
aantal afnemers investeringen in infrastructuur (nog) niet kunnen worden
terugverdiend, zoals op het platteland en aan buitenranden van kernen. In
die gebieden kan worden teruggevallen op draadloze alternatieven als
UMTS of satelliet.
Deel 1: verspreiding van omroepdiensten via verschillende
infrastructuren
1. Inleiding
«De draadloze muziekdoos heeft geen voorstelbare commerciële waarde.
Wie wil er nu betalen voor een boodschap die naar niemand persoonlijk
wordt gestuurd?»
In 1921 benaderde David Sarnoff10 verschillende partners om te investeren
in de radio. Van één van hen kreeg hij dit antwoord.
Ruim 80 jaar later blijkt deze anonieme investeerder het toch niet geheel
onjuist te hebben. We staan aan het begin van een tijdperk waarin kijkers
en luisteraars zelf radio- en televisieprogramma’s kunnen samenstellen,
die individueel kunnen worden verzonden, soms ook tegen betaling. Als
reactie daarop voorspellen sommigen11 dat televisie kijken of radio luisteren
in de toekomst op deze individuele wijze zal gebeuren. Maar zover is
het nog niet. Er komen naast bestaande diensten vele nieuwe diensten. En
het is nog ongewis welke op de lange termijn echt bestaansrecht hebben.
De markt voor omroepdistributie is meer dan ooit in beweging.
1 Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XIII,
nr. 18 en 19.
2 Kamerstukken II, 2005–2006, 29 692, nr. 14
en Kamerstukken II, 2007–2008, 31 356, nr. 2.
3 Beleidsbrief Convergentie: de consument
aan het roer in veranderende markten voor
ICT, telecommunicatie en audiovisuele media
(Kamerstukken II, 2007–2008, 26 643 en 24 095,
nr. 126), het debat over de Mediawet (Handelingen
II 2007–2008, nr. 101, p. 7193), Vaststelling
begroting voor het ministerie van Economische
Zaken voor het jaar 2009 (Kamerstukken
II, 2007–2008, 31 700 XIII, nr. 47) en
schriftelijke antwoorden van de minister en de
staatssecretaris op vragen gesteld in de eerste
termijn van de begrotingsbehandeling van
Economische Zaken voor het jaar 2009 (31 700
XIII) en van het Fonds economische structuurversterking
voor het jaar 2009 (31 700 D),
Handelingen 2008–2009, Tweede Kamer,
nr. 15, pag. 1126–1141; 1137–1138.
4 Kamerstukken II, 2007–2008, 31 700 XIII,
nr. 32.
5 Handelingen 2008–2009, Tweede Kamer,
nr. 15, pag. 1063–1096; 1096.
6 Kamerstukken II, 2005–2006, 28 851, nr. 53.
7 Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 VIII,
nr. 47.
8 Kamerstukken II, 2008–2009, 26 643, nr. 132.
9 De gegevens zijn afkomstig van KPN en
NLkabel.
10 David Sarnoff, 1891–1971, oprichter van het
Amerikaanse televisiestation National Broadcasting
Company (NBC) en bestuurder van de
Radio Corporation of America (RCA).
11 Er zijn verschillende artikelen verschenen
over de toekomst van televisie. Een aantal
quotes is te vinden op: http://www.pbs.org/
nbr/site/onair/transcripts/080207d/.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 2
1.1 Omroepdistributiebeleid
De liberalisering van de markten voor omroep en telecommunicatie was
lange tijd een rode draad in het overheidsbeleid, niet alleen in Nederland
maar juist ook in Europees verband. Gemeenten verkochten hun kabelnetwerken
aan internationaal opererende kabelbedrijven en satellieten
gingen grensoverschrijdend televisie verzorgen. KPN verloor het staatsmonopolie
op telefonie. Frequentieruimte in de ether werd verdeeld voor
commerciële radio en mobiele telefonie. Deze grotere vrijheid voor ondernemingen
betekende niet dat de overheid zijn handen overal van af trok.
Integendeel: de liberalisering is van meet af aan begeleid met nationale
wetgeving en regels, gestoeld binnen het Europees regelgevend kader.
Het kabinet is van mening dat continuïteit en kwaliteit van publieke dienstverlening
blijvend moeten worden verzekerd. Dat vertaalt zich onder meer
in een voortdurende zorg voor een pluriform en betaalbaar programmaaanbod.
Bij het beleid voor de distributie van omroepdiensten stelt het kabinet de
gebruiker voorop: de gebruiker die zich via onafhankelijke media informeert
over de wereld om hem heen, opvattingen en ideeën vormt en
uitwisselt, zich vermaakt met radio- en televisieprogramma’s. En die niet
alleen wil kunnen kiezen waar hij naar kijkt en luistert, maar ook waar,
wanneer en op welke manier.
Dit uitgangspunt vertaalt zich voor de overheid in drie blijvende taken op
het terrein van omroepdistributie. Als eerste speelt de borging van het
publieke belang. Media in het algemeen, en radio en televisie in het
bijzonder, hebben grote maatschappelijke invloed. Daarom is het belangrijk
dat alle burgers een gevarieerd mediamenu onder handbereik hebben,
zoals ook door de WRR is geconstateerd1. Voor de distributie van radio en
televisie betekent dit in essentie dat de overheid waakt over de toegang
tot netwerken – voor makers én gebruikers van mediadiensten. Het betekent
ook dat de overheid bevordert dat netwerken plaats bieden aan
makers met uiteenlopende motieven en dus uiteenlopende programma’s.
Verder betekent dit dat een basisaanbod aan radioen televisiediensten
beschikbaar en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking, op landelijk,
regionaal en lokaal niveau.
In de tweede plaats draagt de overheid, meestal op bescheiden schaal en
vaak indirect, bij aan digitalisering en innovatie van netwerken.
Tot slot ziet de overheid het tot haar taak om een gezonde omroepdistributiemarkt
te bevorderen, waardoor de toegankelijkheid tot een gevarieerd
aanbod tegen een betaalbare prijs gegarandeerd wordt en innovatieve
diensten en toepassingen ontwikkeld en gebruikt worden.
1.2 Omroepdistributiemarkt in verandering
Door digitalisering van de omroepnetwerken is het mogelijk om efficiënter
gebruik te maken van distributiekanalen. Digitalisering kan ook leiden tot
meer concurrentie op en tussen infrastructuren. Een voorbeeld daarvan is
dat de digitale kabeltechnologie het mogelijk maakt verschillende zenderpakketten
aan te bieden. Deze pakketten kunnen door meerdere ondernemingen
worden aangeboden.
Digitalisering van omroepinfrastructuren is niet nieuw. In de jaren
negentig gingen de satellietexploitanten als eerste volledig over op een
digitaal signaal. De uitzendingen van de analoge aardse ethertelevisieprogramma’s
van de publieke omroep zijn eind 2006 gestaakt. Daarvoor in
de plaats is digitale ethertelevisie gekomen, waarbij de publieke omroep
zonder abonnementskosten te ontvangen is. Daarnaast is er ruimte
ontstaan voor meerdere digitale commerciële kanalen (via Digitenne).
1 Zie ook: Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid (2005). Focus op functies.
Uitdagingen voor een toekomstbestendig
mediabeleid.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 3
Digitalisering maakt het ook mogelijk om, naast de distributie via het
kabelnetwerk, omroepdiensten te verspreiden via van oorsprong telecomnetwerken.
De digitalisering van de kabel is op dit moment in volle gang. Het analoge
pakket is nog steeds een zeer gewaardeerd en kwalitatief hoogwaardig
pakket. Maar het aantal abonnees dat de signalen (ook) digitaal ontvangt
neemt gestaag toe. Begin 2008 had ongeveer dertig procent van de kabelabonnees
een digitale ontvanger in huis. Tegelijk is ook de digitale
ontvangst via andere distributiemethoden (IPTV, ether, satelliet) toegenomen.
1
Bij etherradio staat digitalisering nog in de kinderschoenen. De analoge
FM radio heeft vooralsnog een zeer sterke marktpositie2. Deze brief
formuleert het algemene beleidskader voor toekomstige frequentieverdelingen
voor omroep. Het specifieke beleid omtrent T-DAB-omroepfrequenties
is vorig jaar met u besproken3, het beleid over de verdeling
van de FM-, AM- en T-DAB-radiofrequenties wordt momenteel ontwikkeld.
Beide onderwerpen vormen daarom geen onderdeel van deze brief.
In de overgang van analoog naar digitaal ontstaan nieuwe gepersonaliseerde
diensten waarbij de gebruiker zelf kan kiezen welke content hij wil
afnemen. Deze diensten zijn veelal niet vervangend maar aanvullend op
de traditionele televisie en radio. Vergelijkbaar met de opkomst van de
videorecorder en de videotheek of de dvd-speler als nieuwe producten
naast de gebruikelijke televisie. Het kabinet vindt het daarom wenselijk
om primair aandacht te blijven geven aan de «traditionele distributie» van
omroepdiensten. Daaronder wordt verstaan radio- en televisiediensten,
die gelijktijdig en op het daadwerkelijk moment van uitzending, analoog
en/of digitaal, door een groot aantal kijkers of luisteraars kan worden
ontvangen. Nieuw (gepersonaliseerd) aanbod, zoals videowebsites op
internet, internetradio, podcasts of gaming, is reeds aan de orde geweest
in de Beleidsbrief Convergentie.4
Figuur
1.3 Aandachtsgebieden
De veranderingen in de omroepdistributiemarkt geven het kabinet op dit
moment de volgende aandachtsgebieden:
Voldoende concurrentie op de omroepdistributiemarkt
Als gevolg van digitalisering en in het voetspoor daarvan convergentie5,
worden diensten op infrastructuren, zoals ether en kabel, steeds meer
uitwisselbaar en concurrerend. Marktverhoudingen veranderen en er
komen nieuwe partijen bij. Met name de verandering van traditionele
kabel- en telecombedrijven naar multimediabedrijven speelt hierin een
belangrijke rol. Belangrijk aandachtspunt is de concurrentie op de kabel.
Onder punt 2 wordt nader ingegaan op concurrentie op de omroepdistributiemarkt.
1 Cijfers Stichting Kijkonderzoek, 31 januari
2008.
2 Onderzoek Intomart GfK in opdracht van
Digiradio «Een verkenning naar de interesse in
digitale radio onder het Nederlands publiek»,
mei 2007.
3 Kamerstukken II, 2007–2008, 24 095, nrs. 225
en 226.
4 Kamerstukken II, 2007–2008, 26 643 en
24 095, nr. 126.
5 Kamerstukken II, 2007–2008, 26 643 en
24 095, nr. 126.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 4
Een goede balans tussen publieke en commerciële omroepen
De overheid vindt het belangrijk dat iedere burger toegang heeft tot een
kwalitatief hoogwaardig onafhankelijk aanbod aan programma’s zonder
dat hij daarvoor een abonnement hoeft af te sluiten. Voor de landelijke,
regionale en lokale publieke omroepen zijn daarom etherfrequenties
beschikbaar gesteld, zodat hun algemene programma’s binnen het verzorgingsgebied
voor iedereen toegankelijk zijn.1 Echter frequentieruimte blijft
schaars. Daarom moet zorgvuldig worden afgewogen welk deel van het
frequentiespectrum voor de publieke omroep ter beschikking wordt
gesteld. Er moet sprake zijn van een goede balans tussen publieke en
commerciële omroepen. Onder punt 3 geeft het kabinet hiervoor een
afwegingskader.
2. Concurrentie op de omroepdistributiemarkt
Met de toename van het aantal distributieplatformen is de concurrentie
voor het verspreiden van programmadiensten zeker toegenomen.
Programma’s worden nu via de kabel (coax), de ether, ADSL, satelliet,
glasvezel en internet aangeboden. Maar ondanks deze toename is de
betekenis van de nieuwe platforms vooralsnog beperkt (zie tabel 1). Dit
heeft mede te maken met de sterke marktpositie van het analoge kabelpakket.
Het analoge kabelpakket heeft als uniek voordeel dat er geen
decoder en smartcard nodig is. Op eenvoudige wijze kunnen meerdere
televisietoestellen worden aangesloten. De kabel behoudt hierdoor zijn
dominante rol op de distributiemarkt. Voor nieuwe aanbieders lijkt het
(ook) kunnen aanbieden van een analoog kabelpakket noodzakelijk om de
concurrentie met de kabelexploitanten aan te kunnen gaan.
Tabel 1: Overzicht penetratie infrastructuren 1999–2008 (Q2)1 (aansluitingen x 1000, percentage van het aantal aansluitingen)
1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 Q2 2008
Kabel Aansluiting
(analoog)
6 120
89,6%
6 200
91,4%
6 245
92,3%
6 216
92.2%
6 214
91,8%
6 191
89,9%
6 039
86,3%
5 887
84,3%
5 787
79,4%
5 711
77,2%
Digitaal 104 101 99 116 381 1 000 1 571 1 784
IPTV 43 0,6% 134
1,9%
221
3,0%
258
3,5%
Ether Analoog 416
6,1%
280
4,1%
189
2,8%
98
1,5%
78
1,2%
76
1,1%
60
0,9%
Digitaal
(Digitenne)
25
0,4%
74
1,1%
184
2,6%
266
3,8%
482
6,6%
606
8,2%
Satelliet 294
4,3%
303
4,5%
334
4,9%
428
6,3%
450
6,6%
550
7,9%
670
9,6%
700
10,0%
800
11,0%
825
11,1%
1 Uit Marktrapportages Elektronische Communicatie (TNO).
De concurrentie tussen infrastructuren kan bemoeilijkt worden door
overstapdrempels bij de verschillende netwerken. Het verlagen van deze
drempels heeft dan ook de uitdrukkelijke aandacht van het kabinet. In dat
kader heeft het kabinet reeds eerder aangezet tot en ingestemd met maatregelen
die de grotere aanbieders op de omroep- en telecommarkt in het
kader van zelfregulering in februari van dit jaar aankondigden om
overstapdrempels weg kunnen te nemen.2 De marktpartijen hebben afgesproken
dat zij ervoor zullen zorgen dat eind 2008 in ten minste 95% van
de gevallen de overstap tussen aanbieders zonder problemen verloopt.
Ook zijn recent door middel van wetgeving de maximale contractstermijnen
beperkt en kunnen consumenten voortaan na afloop van de
contractperiode maandelijks hun abonnementen opzeggen.3
Naast concurrentie tussen infrastructuren heeft uw Kamer aangegeven
concurrentie op de kabel te willen, in het bijzonder het analoge pakket.4
Het kabinet onderschrijft die wens en daarmee de doelstellingen van de
1 De lokale publieke omroepen hebben alleen
etherfrequenties voor hun radioprogramma
en niet voor hun televisieprogramma’s.
2 Zoals beschreven in de ICT-agenda
2008–2011 (Kamerstukken II, 2007–2008,
26 643, nr. 125) en in de Agenda Telecomconsument
heeft de «Taskforce Overstappen» in
februari een Plan van Aanpak gepresenteerd
waarin de diverse afspraken zijn vastgelegd.
De taskforce bestaat uit BBned, KPN, Orange,
Tele2, UPC en Ziggo.
3 Kamerstukken I, 2007–2008, 30 661, A–F.
4 Kamerstukken II, 2007–2008, 28 851 en
24 095, nr. 57.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 5
moties van de kamerleden Van Dam en Hessels.1 In de brief over wederverkoop
op de kabel heeft de staatssecretaris van Economische Zaken
toegelicht op welke wijze concurrentie op de analoge kabel in technische
zin mogelijk gemaakt kan worden.2 In diezelfde brief staat dat de hiervoor
verantwoordelijke toezichthouder, de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie
Autoriteit (OPTA) de bevoegdheid heeft om, in geval van aanmerkelijke
marktmacht, maatregelen te treffen met het doel concurrentie op
de analoge kabel mogelijk te maken.
Begin augustus heeft OPTA in haar (ontwerp-)marktbesluiten maatregelen
aangekondigd om de concurrentie op de kabel verder mogelijk te maken.3
Het kabinet hoopt dat met de hierna toegelichte maatregelen de concurrentie
op de omroepdistributiemarkt zal toenemen.
2.1 Maatregelen OPTA om concurrentie op de kabel te bevorderen
In de marktbesluiten uit 20064 heeft OPTA aan de grotere kabelbedrijven
een toegangsverplichting voor programma’s opgelegd. Deze maatregel
maakt het voor omroepen mogelijk om zo nodig toegang tot het netwerk
van kabelmaatschappijen af te dwingen, zowel voor analoge als digitale
distributie. In de nieuwe (ontwerp) marktbesluiten is deze maatregel
gehandhaafd. Daarnaast geeft deze toegangsverplichting aan alternatieve
aanbieders de mogelijkheid om via de kabel een eigen programmapakket
te verspreiden.5
De markbesluiten uit 2006 hebben echter niet de gewenste concurrentie
op de kabel gebracht. Een belangrijk probleem bij deze marktbesluiten is
dat de consument gebonden blijft aan de kabelexploitant voor de vaste
aansluiting. De consument krijgt dan te maken met twee partijen: van de
alternatieve aanbieder ontvangt hij de televisieprogramma’s en van de
kabelexploitant de vaste aansluiting. Dat brengt weer nieuwe problemen
met zich mee zoals mogelijk hogere tarieven, meerdere rekeningen en
onduidelijke aanspreekpunten in het geval van storingen. Voor consumenten
wordt het overstappen van hun huidige televisieabonnement naar
een situatie waar hij met twee partijen te maken krijgt weinig interessant.
OPTA heeft deze problemen ook geconstateerd. Daarom heeft OPTA in zijn
ontwerpbesluiten van augustus 2008 aanvullende maatregelen aangekondigd.
In de nieuwe besluiten legt OPTA aan de twee grootste kabelmaatschappijen,
Ziggo en UPC, de verplichting op om ook de vaste aansluiting
te wederverkopen. Alternatieve aanbieders kunnen daarmee de volledige
klantrelatie overnemen voor zowel het programmapakket als de vaste
aansluiting. De consument blijft dan te maken hebben met één aanspreekpunt.
Deze wederverkoop is vergelijkbaar met de situatie op de vaste
telefoniemarkt. Inmiddels hebben verschillende partijen6 interesse
getoond in het aanbieden van een concurrerend aanbod via de kabel. De
wederverkoopmaatregelen zorgen potentieel voor meer concurrentie op
de kabel. Dit kan leiden tot meer keuze voor de kijker en/of lagere abonnementstarieven.
De besluiten van OPTA zijn 9 januari ter notificatie naar de Europese
Commissie gestuurd en op 9 februari heeft de Commissie OPTA groen
licht gegeven om de kabelmarkt te openen. OPTA kan nu op korte termijn
haar definitieve marktanalysebesluiten voor de omroepmarkt afronden.
Ook zal OPTA nu verder gaan met de technische en administratieve maatregelen
die UPC en Ziggo moeten nemen om andere aanbieders op de
kabel toe te laten. OPTA zal deze maatregelen in overleg met UPC, Ziggo
en alternatieve aanbieders vormgeven.
1 Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XIII,
nrs. 18 en 19;
2 Kamerstukken II, 2006–2007, 24 095, nr. 212.
3 OPTA Marktanalyse Omroep, ontwerpbesluit
van 19 augustus 2008 betreffende Ziggo, UPC,
Delta en CAIW (OPTA/MA/2008/201 540, -41,
-42, -43).
4 OPTA Marktbesluiten omroep van 17 maart
2006 betreffende Casema, Delta, UPC, Multikabel,
Essent, (OPTA/BO/2006/200533, -34, -35,
-36, 37) en de Herstelbesluiten Marktanalyse
Omroep van 21 december 2007 (OPTA/BO/
2007/202810,11, -15, -16, -17).
5 Hierbij gaat het in eerste instantie om een
digitaal pakket daar voor de distributie van
een analoog pakket waarschijnlijk te veel
capaciteit vraagt. Dit is anders als de alternatieve
aanbieder ervoor kiest een analoog
pakket te verspreiden dat (vrijwel) overeenkomst
met dat van de kabelmaatschappij. Zie
ook de brief over concurrentie op de analoge
kabel (Kamerstukken II, 2006–2007, 24 095,
nr. 212).
6 Medio juli 2008 heeft het bedrijf YouCa
aangekondigd via de kabel een concurrerend
aanbod aan te willen bieden. Tele2 heeft
recent aangegeven ook een analoog pakket
aan te willen gaan bieden.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 6
Het kabinet is verheugd dat de Europese Commissie de analyse van OPTA
deelt dat er onvoldoende concurrentie op de Nederlandse kabelmarkt is
en dat maatregelen nodig zijn. De staatssecretaris van Economische
Zaken heeft zich hier in de achterliggende periode voortdurend voor ingespannen
en is, waar mogelijk, samen met de toezichthouder opgetrokken/
en heeft OPTA waar mogelijk gesteund. Zo heeft hij er bij de Commissie
voor gepleit dat nationale toezichthouders voldoende ruimte krijgen
om rekening te kunnen houden met specifieke nationale omstandigheden.
Daarbij gaat het met name om de dominante positie van de kabel op de
Nederlandse omroepdistributiemarkt. Het onder de aandacht brengen van
de specifieke Nederlandse situatie was nodig omdat OPTA in 2006 heeft
moeten afzien van een deel van de door haar voorgenomen maatregelen
vanwege bezwaren van de Europese Commissie. Ook heeft hij gewezen
op de problemen die er momenteel zijn, zoals het risico op te hoge prijzen
en te weinig keuze voor consumenten.
3. Toegang publieke omroepen tot omroepdistributienetwerken
Het kabinet vindt dat het belang van een vrije, pluriforme, toegankelijke en
kwalitatief hoogwaardige publieke omroep niet genoeg kan worden benadrukt.
Dit staat ook expliciet in het coalitieakkoord. In een digitaliserend
medialandschap blijft de toegankelijkheid van de publieke omroep dan
ook een aandachtspunt.1
In dit hoofdstuk staat het afwegingskader voor de bepaling op welke infrastructuren
de publieke omroep aanwezig kan zijn. Van belang is daarbij de
balans tussen het waarborgen van de toegankelijkheid van het omroepaanbod
en terughoudendheid in het opleggen van beperkingen en verplichtingen
voor de markt. Het merendeel van dit kader is vastgelegd in de
Mediawet en de Telecommunicatiewet.
3.1 De publieke omroep: voor iedereen toegankelijk
De algemene programma’s2 van de publieke omroepen moeten voor
iedereen waarvoor deze programma’s zijn bestemd toegankelijk zijn. De
gebruiker hoeft voor de ontvangst via de ether geen andere kosten te
betalen dan voor de aanschaf en het gebruik van technische voorzieningen
die deze ontvangst mogelijk maken.
Van de verschillende distributievormen biedt de ether de meeste waarborgen
voor het verspreiden van de publieke programma’s. De overheid
verdeelt immers de etherfrequenties en kan invloed uitoefenen op de
voorwaarden waaronder frequentieruimte kan worden gebruikt. Bovendien
kan alleen met de ether een nagenoeg landelijke dekking worden
gegarandeerd.3 Andere netwerken zoals kabel en ADSL hebben geen
landelijk bereik.
De «gratis» doorgifte van de algemene publieke radioprogramma’s is
vastgelegd in de Mediawet en de Telecommunicatiewet. Aan de landelijke,
regionale en lokale publieke omroep zijn analoge FM en middengolf (AM)
frequenties toegewezen. De vergunningen voor deze frequenties lopen in
2010 en 2011 af waarna opnieuw frequentieruimte aan de publieke
omroep beschikbaar zal worden gesteld voor deze programma’s.
3.2 Verplichting tot kabeldoorgifte van publieke programma’s
In Nederland is de kabel dominant voor de doorgifte en ontvangst van
omroepsignalen. Het kabinet vindt daarom dat de toegang tot algemene
programma’s van de publieke omroepen via de kabel moet worden gegarandeerd.
Daarmee wordt ex ante voorkomen dat een dominante markt-
1 Zie ook de kabinetsreactie op het WRR
rapport: Focus op Functies. Kamerstukken II,
2005–2006, 29 692, nr. 14.
2 Onder de algemene programma’s van de
publieke omroepen wordt hier verstaan:
3 landelijke televisiezenders, 5 landelijke
radiozenders, 1 regionale radio- en televisiezender
per regio en 1 lokale radiozender.
Regionale en lokale publieke zenders moeten
in het
eigen verzorgingsgebied te ontvangen zijn.
3 Hoewel satellietuitzendingen ook een
landelijk bereik hebben, kan de ontvangst niet
worden gegarandeerd in verband met plaatselijke
verordeningen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 7
partij misbruik kan maken van zijn machtspositie door (bepaalde) programma’s
van de publieke omroep niet door te geven.
In de Mediawet 2008 is de doorgifteverplichting op de kabel daarom
gehandhaafd. Nieuw is dat onderscheid wordt gemaakt tussen analoge en
digitale verspreiding. Daarmee regelt de regering de verplichte doorgifte
in de transitie van analoog naar digitaal. Voor een bepaalde periode zal er
sprake zijn van een dubbele doorgifteverplichting, namelijk wanneer
zowel het analoge als digitale programma-aanbod door minimaal de helft
van de huishoudens wordt bekeken. Dit betekent voor de traditionele
kabel dat het mogelijk nog enige tijd duurt voordat de doorgifteverplichting
ook digitaal zal gaan gelden. Daarmee wordt voorkomen dat de kabel
te veel wordt belemmerd in zijn digitaliseringsproces. De analoge kabel
zal naar verwachting nog geruime tijd boven dit percentage blijven, mede
omdat digitale abonnees nog steeds veelvuldig gebruik maken van het
analoge signaal op andere plekken dan de woonkamer. Dus ook voor de
analoge kijkers blijven de programma’s uit het doorgiftepakket nog lange
tijd gegarandeerd. Het kabinet wil daarmee de balans vinden tussen
garanties voor de kijker enerzijds en de mogelijkheid tot innovatie van de
kabel anderzijds.
3.3 Andere distributiekanalen
Voor de doorgifte van zijn diensten op andere netwerken onderhandelt de
publieke omroep op eigen initiatief met marktpartijen of kan hij extra
frequentieruimte vragen.
Etherruimte is echter schaars, daarom is alleen voor de algemene programma’s
van de publieke omroep wettelijk etherruimte geregeld. Voor
wat betreft de landelijke publieke omroep gaat het daarbij om de drie
televisiezenders en vijf radiozenders. De afweging om te komen tot het
verlenen van extra frequentieruimte aan de publieke omroep wordt in
eerste instantie beoordeeld op basis van het meerjarenbeleidsplan van de
publieke omroep. Daarna wordt door de minister (staatssecretaris) van
Economische Zaken in overeenstemming met de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap beoordeeld of er ook frequentieruimte met een
omroepbestemming beschikbaar is. Hiertoe worden de volgende criteria
in beschouwing genomen:
a. Evenwichtige verhouding publieke en commerciële omroep.
Een aanvraag van de publieke omroep voor extra frequentieruimte
wordt afgewogen tegen de voor commerciële omroepen beschikbare
ruimte. Om een gezonde omroepmarkt in stand te houden, is het van
belang dat er een evenwicht wordt gevonden tussen publieke en
commerciële omroepen. Beide hebben een eigen rol in het verzorgen
van een veelzijdig omroepaanbod voor de kijker en de luisteraar.
b. Waarborgen beschikbaarheid van de algemene programma’s van de
publieke omroep in het digitale domein gedurende de overgangssituatie
van analoog naar digitaal.
In de Mediawet en de Telecommunicatiewet staat dat de algemene
publieke programma’s via de ether moeten worden verspreid. Er wordt
geen onderscheid gemaakt tussen met analoge of digitale etherdistributie.
Omdat radioprogramma’s via de (analoge) FM te ontvangen zijn,
is er op dit moment geen wettelijke verplichting om ook digitaal
frequentieruimte te reserveren. Gedurende de overgangsperiode van
analoge naar digitale distributie kan het wenselijk zijn om de algemene
programma’s van de publieke omroep ook via de digitale ether te
verspreiden.
c. Innovatie.
De publieke omroep kan een voortrekkersrol spelen bij de introductie
van nieuwe technieken. Er moet wel duidelijkheid zijn dat de markt ook
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 8
daadwerkelijk volgt. Dit vraagt een integraal uitgiftebeleid voor zowel
de commerciële als de publieke frequenties.1
Indien er politieke overeenstemming is over het aanwijzen van extra
frequentieruimte voor publieke omroep, zal deze extra frequentieruimte in
beleidsregels worden beschreven. De publieke omroep kan vervolgens op
grond van de Telecommunicatiewet een aanvraag indienen voor het
verkrijgen van een extra ethervergunning.
3.4 Lokale en regionale publieke omroep
De rijksoverheid regelt voor de algemene programma’s van de regionale
en lokale omroepen alleen de voorrang op frequentieruimte bij de verdeling
van (analoge) etherfrequenties2 en een doorgifteverplichting op
dominante infrastructuren. De Mediawet 2008 geeft het kader voor de
publieke omroepen om multimediaal te kunnen werken. Dat geldt dus ook
voor de lokale en regionale publieke omroep. Dit kader betekent niet dat
het kabinet vindt dat de lokale en regionale omroepen ook alles moeten
doen. Die keuze ligt bij de omroepen. De financiering ligt immers op het
eigen bestuurlijke niveau. De regionale en lokale omroepen moeten dus in
eerste instantie in overleg met de provincies of gemeenten bepalen op
welke nieuwe (experimentele) distributieplatforms zij actief willen zijn en
hoe dat gefinancierd wordt.
De regionale omroep heeft aangegeven meer geld nodig te hebben voor
kwaliteit en digitaliseringsvraagstukken. Ook het CDA is met een visiedocument
gekomen3 en vraagt een reactie van de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap. Tijdens het wetgevingsoverleg over de Mediabegroting
is door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
toegezegd dat er een afzonderlijke brief over de regionale omroep zal
komen.4
Lokale publieke televisie
Voor lokale televisie wordt geen frequentieruimte gereserveerd. De doorgifte
van de lokale publieke televisieprogramma’s is via de (analoge) kabel
gegarandeerd. Omdat de doorgifte van lokale omroep via de digitale kabel
niet direct door de markt is opgepakt, is in de Mediawet 2008 de doorgifte
gedurende de overgangsfase van analoog naar digitaal geregeld. Zodra
meer dan de helft van de kabelabonnees zijn programma’s digitaal
ontvangt, moeten kabelbedrijven de lokale omroep ook verplicht doorgeven
in het digitale pakket. Het is positief dat de grote kabelbedrijven nu
vooruitlopend op de wettelijke doorgifteverplichting zijn begonnen met
het aanbieden van de lokale omroepen in de digitale kabelpakketten.
Ziggo geeft reeds meerdere lokale omroepen door en breidt dat momenteel
verder uit. UPC heeft aangegeven in de eerste helft van 2009 gefaseerd
ook de lokale omroepen te gaan doorgeven.
Digitalisering biedt nieuwe mogelijkheden zoals video on demand (VOD).
VOD kan met name voor lokale omroepen die geen doorlopende programmering
hebben een uitkomst bieden. De VOD dienst kan naast het reguliere
signaal worden aangeboden, maar het zou ook vervangend kunnen
werken. Het kabinet gaat daarmee akkoord indien de lokale omroep en het
kabelbedrijf dat gezamenlijk overeenkomen.
Regionale publieke omroep
De regionale omroep heeft meer distributiemogelijkheden dan de lokale
omroep. Dat past ook bij de omvang en bereik van de regionale omroep.
In de DVB-T vergunning van de NOS is vastgelegd dat de NOS zorg draagt
voor de digitale etherverspreiding van de televisiekanalen van de regionale
omroep.
1 Het innovatiecriterium heeft een belangrijke
rol gespeeld bij de toekenning van frequentieruimte
voor T-DAB aan de publieke omroep in
2003, zij het dat vooralsnog geen groot succes
is mede omdat er voor de commerciële omroepen
nog geen frequentieruimte beschikbaar
was gemaakt om de publieke omroep te
volgen.
2 Voor zover technisch mogelijk.
3 CDA document «Stemmen uit de Regio»
(Kamerstukken II 2008–2009, 31 788, nr. 2).
4 Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 VIII,
nr. 134.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 9
De regionale omroep wordt vooruitlopend op een wettelijke doorgifteverplichting
al doorgegeven op de digitale kabel. De markt neemt daarin
zijn eigen verantwoordelijkheid. In het amendement Atsma1 wordt ook de
verplichte doorgifte via de digitale kabel van de regionale televisieprogramma’s
uit aangrenzende provincies geregeld. Deze extra verplichting is een
verruiming van de doorgifteverplichting in het digitale domein en komt
bovenop de bestaande doorgifteverplichting van 15 televisie programma’s.
In praktijk voldoen de grote kabelbedrijven al grotendeels aan deze
verplichting, maar nu wordt dit bij wet geregeld. Voor kabelbedrijven
betekent dit dat zij meerdere regionale programma’s moeten doorgeven,
ook uit de regio’s waarin ze zelf niet actief zijn. Indien dit tot ongewenste
situaties leidt, kan het Commissariaat voor de Media zo nodig ontheffing
verlenen.
Deel 2: toekomstbestendigheid inrichting toezicht op de markt
voor elektronische communicatie en media
Naar aanleiding van de ontwikkelingen in de markten voor elektronische
communicatie en media, in het bijzonder convergentie, hebben wij een
verkenning uitgevoerd om te bepalen of de huidige inrichting van het
toezicht op de deze markten toekomstbestendig is. De focus lag daarbij op
de markt voor elektronische communicatie, maar vanwege de raakvlakken
met media is ook het Commissariaat voor de Media bij de verkenning
betrokken. Op basis van de verkenning en de daarin gevoerde gesprekken
met stakeholders en experts concluderen wij dat de huidige inrichting
inderdaad toekomstbestendig is. Wij zien dan ook geen aanleiding om in
deze kabinetsperiode over te gaan tot een herinrichting van het toezicht.
Wel blijven wij de marktontwikkelingen op de voet volgen en werken wij
aan verdere versteviging van de samenwerking tussen de betrokken
toezichthouders, alsmede de beleidsmatige samenwerking tussen de
ministeries van Economische Zaken (EZ) en van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap (OCW) op het gebied van elektronische communicatie en
media.
1. Schets toezicht elektronische communicatiemarkt
De markt voor elektronische communicatie is een dynamische markt.
Nieuwe aanbieders, producten en diensten volgen elkaar in hoog tempo
op. Gebruikers van elektronische communicatie hebben dankzij de genoemde
convergentie de keuze uit een ruim aanbod aan betaalbare en kwalitatief
hoogwaardige communicatieproducten en -diensten. De dynamiek en
bijzondere kenmerken (met name toegangsvraagstukken) van de elektronische
communicatiemarkt maken goed toezicht op deze markt van groot
belang.
De huidige inrichting van het toezicht op de elektronische communicatiemarkt
vindt zijn oorsprong grotendeels in de in de jaren ’90 ingezette
liberalisering. De Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit
(OPTA) is in 1997 als onafhankelijk toezichthouder ingesteld voor het
bevorderen van de overgang van een monopolistische naar een concurrerende
telecommunicatie- en postmarkt. OPTA houdt toezicht op de naleving
van wet- en regelgeving op het gebied van post en elektronische
communicatiediensten. Deze sectorspecifieke regelgeving is neergelegd in
de Telecommunicatiewet en de Postwet en stoelt op het Europese regelgevende
kader, waarin liberalisering uitgangspunt is. OPTA bevordert de
concurrentie door middel van preventief sectorspecifiek mededingingstoezicht
en houdt zich bezig met consumentenbescherming en nummeruitgifte.
Gaandeweg is de focus verschoven van het creëren van concurrentie
naar het bevorderen van duurzame concurrentie in alle communicatiesectoren
op de langere termijn. Ook is consumentenbescherming een 1 Kamerstukken II, 2007–2008, 31 356, nr. 40.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 10
steeds belangrijkere taak van OPTA geworden. Daarmee is een volgende
fase ingetreden op de weg naar een volledig concurrerende markt. De
transitie naar een volledig concurrerende markt is echter nog niet
voltooid. Sectorspecifiek preventief toezicht is derhalve nog steeds een
belangrijk uitgangspunt in het nieuwe Europese regelgevende kader voor
de elektronische communicatiesector, waarover de Raad van ministers
van de EU op 16 februari jl. zijn gemeenschappelijk standpunt heeft vastgesteld.
De staatssecretaris heeft u in zijn brief van 19 december 2008 al
bericht over het politiek akkoord dat ten grondslag ligt aan dit gemeenschappelijk
standpunt.1
Naast OPTA is nog een aantal andere toezichthouders betrokken bij het
toezicht op de elektronische communicatiesector. Het Agentschap
Telecom is een technische toezichthouder, met als belangrijkste taken het
verwerven, uitgeven en beschermen van frequentieruimte. Andere
betrokken toezichthouders zijn de Nederlandse Mededingingsautoriteit
(NMa) voor het generiek mededingingstoezicht2 (voornamelijk het
optreden tegen kartels en misbruik van een economische machtpositie en
het toetsen van fusies) en de Consumentenautoriteit (CA) voor de generieke
consumentenbescherming. Omdat de markten voor elektronische
communicatie en media door convergentie naar elkaar toegroeien, kan
ook het handelen van het Commissariaat voor de Media (CvdM) van
invloed worden op de elektronische communicatiemarkt.
2. Aanpak
Bij de verkenning naar de toekomstbestendigheid van de huidige inrichting
van het toezicht op de elektronische communicatie en media is een
open aanpak gehanteerd. Alle relevante spelers zijn in de gelegenheid
gesteld hun ideeën over marktontwikkelingen en toekomstig toezicht
kenbaar te maken: de toezichthouders, huidige en mogelijk toekomstige
marktpartijen en organisaties van consumenten en grootgebruikers. Ook
is een discussiebijeenkomst georganiseerd waaraan zowel de geïnterviewde
partijen als wetenschappers hebben deelgenomen. Vervolgens
zijn de uitkomsten nader geanalyseerd om te bezien welke beleidsmatige
conclusies uit de verkenning moesten volgen. In de verkenning hebben
wij ons met name gericht op drie mogelijke inrichtingsvarianten:
• samenwerking vanuit eigen taken: het voortbestaan van de huidige
inrichting met OPTA, Agentschap Telecom, CvdM, NMa en CA allen als
aparte toezichthouders, die samenwerken waar hun taken raakvlakken
hebben;
• het kamermodel: OPTA zou hierbij een kamer van NMa worden, net als
de Energiekamer;
• de sectorale toezichthouder: OPTA vormt samen met Agentschap
Telecom en CvdM een geconvergeerde toezichthouder die zowel de
elektronische communicatieals mediamarkt overziet.
3. Bevindingen
In de verkenning is een aantal zaken duidelijk naar voren gekomen:
Ten eerste dat het huidige toezicht op de markten voor elektronische
communicatie en media goed functioneert: uit evaluaties, internationale
vergelijkingen en gesprekken met betrokkenen blijkt dat het Nederlandse
toezicht als geheel, alsook het toezicht van de afzonderlijke toezichthouders,
waaronder OPTA, over het algemeen positief worden beoordeeld.
OPTA heeft zich gepositioneerd als een deskundige, slagvaardige en
gezaghebbende toezichthouder.3
1 Kamerstukken II, 2008–2009, 21 501, nr. 33.
2 De NMa houdt zich ook bezig met ex-ante
marktordening en consumentenbescherming
in de markten voor energie en vervoer.
3 Zie bijvoorbeeld Europese Commissie,
Voortgangsverslag over de interne markt voor
elektronische communicatie 2007 (19-03-2008,
COM(2008) 153); ECTA, Regulatory Scorecard
2008 (januari 2009, ectaportal.com).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 11
Ten tweede bevestigt de verkenning het beeld, geschetst in de beleidsbrief
Convergentie, dat de precieze gevolgen van belangrijke marktontwikkelingen
(met name convergentie) nog niet zijn uitgekristalliseerd. Betrokkenen
geven aan moeilijk te kunnen voorspellen in hoeverre de beweging
naar concurrentie tussen de infrastructuren zal doorzetten. Ook is moeilijk
in te schatten in welke mate infrastructuur en diensten zullen integreren.
Afhankelijk van de mate van horizontale en verticale integratie zijn
verschillende toekomstscenario’s mogelijk.1
Uit de verkenning blijkt echter dat elk van deze scenario’s naar verwachting
adequaat kan worden opgevangen binnen de huidige inrichting van
het toezicht. In de scenario’s «gemonopoliseerde telecommarkt», «open
toegang tot de monopolist» en «verticale forten» zullen sectorspecifieke
toegangsvraagstukken een grote rol blijven spelen. OPTA is goed gepositioneerd
om deze vraagstukken op te pakken. In het scenario «mededinging
op alle fronten» is wellicht minder behoefte aan toegangsregulering.
In alle vier convergentiescenario’s kan sprake zijn van uitdagingen die het
taakgebied van een individuele toezichthouder of de scheidslijnen tussen
media en telecom overstijgen. De eigenstandige taken van iedere toezichthouder
zullen een prominente rol blijven spelen, maar de raakvlakken
tussen de toezichthouders zouden door deze ontwikkeling toenemen. Te
denken valt aan mededingingsaspecten van frequentieveilingen (waar EZ,
Agentschap Telecom, OPTA, NMa en in voorkomende gevallen OCW
allemaal een rol te spelen hebben) of de impact van doorgifteverplichtingen
op concurrentie tussen infrastructuren (CvdM is belast met de
bestuursrechtelijke handhaving van doorgifteverplichtingen aan exploitanten
van infrastructuren; OPTA bevordert concurrentie tussen infrastructuren).
Convergentie vereist daarom nog meer afstemming tussen
toezichthouders dan voorheen; door convergentie kan een beslissing van
de ene toezichthouder gevolgen hebben voor het bereiken van de doelen
van een andere toezichthouder. Om deze uitdagingen op te pakken is het
niet nodig toezichthouders samen te voegen; wel is het zeer belangrijk dat
de betrokken toezichthouders goed afstemmen en samenwerken. Uit de
verkenning blijkt verder dat de uitdagingen van convergentie voor beleidsdepartementen
minstens zo groot zijn als voor toezichthouders. Om de
toezichthouders in staat te stellen goed samen te werken en adequaat om
te gaan met convergentie moeten de beleidsdepartementen ervoor zorgen
dat media- en telecombeleid goed op elkaar zijn afgestemd en elkaar
versterken. 1 Zie hiervoor p. 1 van de bijlage bij de
Beleidsbrief Convergentie (Kamerstukken II,
2007–2008, 26 643 en 24 095, nr. 126).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 12
Ten derde blijkt uit de gesprekken met betrokkenen dat zij uiteenlopende
geluiden laten horen over de gewenste inrichting van het toezicht. De
huidige en mogelijk toekomstige marktpartijen, de organisaties van
consumenten en grootgebruikers en de toezichthouders zijn het wel eens
dat er geen urgentie is om de inrichting van het toezicht aan te passen.
Ten vierde stellen alle betrokkenen dat in deze discussie de kwaliteit en
inhoud van het toezicht leidend moet zijn boven de vorm waarin het
toezicht gegoten wordt. Een eventuele herinrichting van het toezicht is
bovendien een tijdrovend en kostbaar proces, met als bijkomend risico
dat de aandacht afgeleid wordt van waar het om gaat: de goede uitoefening
van de toezichtstaken.
Zoals hierboven gemeld zijn in de verkenning ook twee alternatieve
inrichtingsvarianten aan bod gekomen:
De eerste alternatieve variant is het zogenoemde kamermodel, waarbij
OPTA een kamer zou worden van de NMa, net als de Energiekamer. Dit
model past het beste bij het bovengenoemde scenario «mededinging op
alle fronten», waarbij naar verwachting minder sectorspecifiek toezicht
nodig zal zijn. Nu de elektronische communicatiemarkt nog volop in
beweging is en het sectorspecifiek mededingingstoezicht sterk verweven
is met andere taken van OPTA, onder andere op het gebied van het waarborgen
van andere publieke belangen, ligt het kamermodel niet voor de
hand.1 Het kamermodel zou verder tegemoetkomen aan de omstandigheid
dat door de convergentie het afbakenen van markten steeds moeilijker
wordt. Hierdoor wordt het steeds belangrijker om te zorgen voor
goede afstemming tussen het ex ante sectorspecifiek mededingingstoezicht
(OPTA) en het ex post generiek mededingingstoezicht en de ex
ante toetsing van fusies (NMa). NMa en OPTA hebben reeds samenwerkingsafspraken
die onder andere voorzien in wederzijdse consultaties,
consistente uitleg van begrippen en uitwisseling van expertise.2 In de
verkenning is geconcludeerd dat deze samenwerkingsafspraken
voldoende waarborgen hebben om goed rekening te kunnen houden met
de gevolgen van convergentie.
De tweede alternatieve variant is een sectorale toezichthouder, die zou
kunnen bestaan uit OPTA, Agentschap Telecom en CvdM. Voordeel van
deze variant zou zijn dat een dergelijke sectorale toezichthouder een groot
deel van de convergerende markten zou overzien en daardoor beter in
staat zou zijn de verschillende publieke belangen (bijvoorbeeld een
concurrerende markt versus pluriformiteit van het media-aanbod) tegen
elkaar af te wegen. Hierbij moet echter rekening worden gehouden met
het feit dat de toezichthouders OPTA, Agentschap Telecom en CvdM
weliswaar raakvlakken kennen, maar merendeels ieder hun eigen taken en
werkwijzen hebben, die voornamelijk gebaseerd zijn op de Telecommunicatiewet
(OPTA en Agentschap Telecom) en de Mediawet (CvdM).
Agentschap Telecom beheert het Nederlandse frequentiespectrum, OPTA
houdt ex-ante toezicht op sectorspecifieke mededingingsvraagstukken,
het CvdM houdt ex-post toezicht op programma’s. Dat laatste is altijd
achteraf in verband met de vrijheid van meningsuiting. De beleidsterreinen
telecom en media zullen de komende jaren naar verwachting
steeds meer raakvlakken vertonen. Wanneer deze twee beleidsterreinen in
de toekomst zozeer verweven raken dat ze niet meer van elkaar te
scheiden zijn, dan zal dit wellicht ook consequenties moeten hebben voor
de inrichting van het toezicht.
Om ervoor te zorgen dat de betrokken toezichthouders goed aangesloten
blijven op de ontwikkelingen in de markten voor elektronische communicatie
en media en zo goed mogelijk samenwerken, herzien en intensiveren
de betrokken toezichthouders waar nodig de bestaande samenwerkings-
1 In het kabinetsstandpunt bij het rapport
Zicht op Toezicht (Kamerstukken II, 1997–1998,
24 036, nr. 73) en de Visie op Markttoezicht is
het uitgangspunt neergelegd van concentratie
van uitvoering van mededingingsregels waar
mogelijk bij de algemene mededingingstoezichthouder;
in kamers bij de NMa (Kamerstukken
II, 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 50).
2 Afspraken tussen het college van de Onafhankelijk
Post en Telecommunicatie Autoriteit
(OPTA) en de directeur-generaal van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit (NMa) over de
wijze van samenwerking bij aangelegenheden
van wederzijds belang, d.d. 24 juni 2004.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 13
afspraken. Zo hebben OPTA en Agentschap Telecom hun samenwerkingsafspraken
recentelijk vernieuwd en geformaliseerd, onder andere om
meer recht te doen aan hun geïntensiveerde samenwerking bij de uitgifte
van frequenties. Daarnaast hebben OPTA en CvdM recentelijk een nieuw
samenwerkingsprotocol opgesteld, met name om in het licht van convergentie
hun werkzaamheden goed op elkaar aan te laten sluiten.1
4. Conclusie
Op basis van het bovenstaande concluderen wij dat de huidige inrichting
van het toezicht, in de verschillende voorzienbare scenario’s, toekomstbestendig
is. Daarnaast vinden wij net als de stakeholders dat er geen
urgentie is om het toezicht anders in te richten en dat de kwaliteit van het
toezicht leidend moet zijn bij besluiten over de inrichting van het toezicht.
Ook onderstrepen wij dat een herinrichting de nodige tijd, middelen en
energie kost, met het risico dat de aandacht wordt afgeleid van waar het
om gaat: de goede uitoefening van de toezichtstaken. De dynamiek en
specifieke toezichtsvraagstukken in de markt voor elektronische communicatie
en de Europese regelgeving maken stevig, pro-actief sectorspecifiek
toezicht noodzakelijk. De mogelijke voordelen van een herinrichting
worden bovendien ook binnen de huidige situatie gerealiseerd door
goede samenwerking tussen de betreffende toezichthouders.
Naast deze samenwerking tussen de toezichthouders bij de uitvoering van
het toezicht is het belangrijk om ook op het beleidsmatige vlak aangesloten
te blijven op ontwikkelingen als convergentie. Dit uitgangspunt is
leidend in onze samenwerking. Rekening houdend met de verschillende
maatschappelijke doelstellingen van media en telecombeleid is ons
streven om beide beleidsterreinen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.
Zowel de ministeries van OCW en EZ als de betrokken toezichthouders
blijven de ontwikkelingen in de markt volgen en dragen er zorg voor
dat de samenwerking zowel beleidsmatig tussen de ministeries als op
uitvoeringsgebied tussen de toezichthouders optimaal aansluit bij de
omstandigheden op de betreffende markten.
Uiteraard blijven de toezichthouders zich ook inspannen om hun efficiëntie
en effectiviteit verder te vergroten. Wij zullen als verantwoordelijke
bewindslieden de inspanningen van de toezichthouders op dit vlak kritisch
blijven volgen. Zo wordt in 2009 de doelmatigheid en doeltreffendheid
van het optreden van OPTA geëvalueerd. Een verslag hiervan zal aan uw
Kamer worden toegezonden. Bij de evaluatie zullen ook de indicatoren
worden betrokken die zijn opgesteld om de doelmatigheid van OPTA beter
inzichtelijk te maken.2 Vanaf het jaarverslag over 2009 zal OPTA over indicatoren
rapporteren.
De staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R. H. A. Plasterk 1 Het bestaande samenwerkingsprotocol
tussen OPTA en NMa uit 2004 hoeft niet
gewijzigd te worden om rekening te houden
met convergentie; hetzelfde geldt voor het
protocol tussen AT en CvdM uit 2004 en het
samenwerkingsprotocol tussen OPTA en CA
uit 2007. NMa en CvdM hebben recentelijk
samenwerkingsafspraken gepubliceerd in
verband met de tijdelijke wet Mediaconcentraties
(Staatscourant d.d. 24 juni 2008, nr. 119,
p. 35).
2 Kwink Groep, Doelmatigheidsindicatoren
OPTA (oktober 2008).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 en 26 643, nr. 235 14
Bron: http://www.programmaraadoostgelderland.nl/?news/own/message/18
Reacties:
Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.
