Nieuws

Commissariaat herziet besluit over looptijd radiotermijnen

Het Commissariaat voor de Media heeft de besluiten over de looptijd van de radiotermijnen herzien na de uitspraak van de Raad van State. De Raad heeft
daarbij overwogen dat het bepaalde in artikel 82k, vierde lid, meebrengt dat een programmaraad bij zijn advisering de maatschappelijke, culturele,
godsdienstige en geestelijke behoeften die in de gemeente leven op het moment dat
het advies wordt uitgebracht in aanmerking dient te nemen en zich daarbij dient te
beraden op de periode gedurende welke het advies, gelet op veranderingen in die
behoeften die zich kunnen voordoen, voldoende actualiteitswaarde zal behouden.

Het verbinden van een geldigheidsduur aan een advies door een programmaraad is dan ook inherent aan zijn adviestaak, aldus de Afdeling. De bevestiging daarvan is het voorschrift van artikel 82n, eerste lid, waarin is bepaald dat in het
reglement waarover een programmaraad dient te beschikken in ieder geval regels zijn
opgenomen over de geldigheidsduur van zijn adviezen. Bovendien draagt dit bij aan de
transparantie van de adviezen en aan de rechtszekerheid van alle betrokkenen, niet alleen aan die van de aanbieders van omroepnetwerken maar ook aan die van de programma aanbieders en de consumenten. De bepaling bevestigt derhalve dat de wetgever de aanbieder van een omroepnetwerk niet de mogelijkheid heeft willen bieden eenzijdig de looptijd van een advies te verlengen.

 

Uitspraak Commissariaat
De geldigheidsduur van het programmaraadadvies
Met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 31 oktober 2007 stelt het Commissariaat vast dat de geldigheidsduur van een
programmaraadadvies onderdeel uitmaakt van dat advies. Het Commissariaat stelt voorts vast dat ingevolge het bepaalde in artikel 82k, vijfde lid, zwaarwichtige redenen
zich er tegen kunnen verzetten dat de aanbieder van een omroepnetwerk het advies volgt.

 

Zwaarwichtige redenen
UPC heeft een aantal beweegredenen naar voren gebracht om de in het Advies opgenomen geldigheidsduur van 1 jaar niet te volgen. Omstandigheden die de druk op de interne organisatie van een aanbieder van een omroepnetwerk verhogen, al dan niet in verhouding tot de geringe wijzigingen in de samenstelling van het radioprogrammapakket, leggen naar het oordeel van het Commissariaat onvoldoende gewicht in de schaal om de frequentie van de uit te brengen adviezen te verlagen naar 2 jaar. Een programmaraad adviseert over de samenstelling van het programmapakket, slechts rekening houdend met de pluriformiteit daarvan. Indien een programmaraad bij zijn advisering rekening zou moeten houden met de gevolgen van (de frequentie van) zijn advies voor de interne organisatie van de aanbieder van een omroepnetwerk, dan zijn naar het oordeel van het Commissariaat de onafhankelijkheid
van de programmaraad en de onafhankelijkheid van zijn advisering in het geding.
De door UPC voorts naar voren gebrachte beweegredenen die de belangen van de
aangeslotenen en de programma-aanbieders betreffen, zijn ook door de Afdeling in verband gebracht met het programmaraadadvies. In de uitspraak van 28 juli 2004
(Casema/Programmaraad De Bollenstreek/HMG/SBS) heeft de Afdeling overwogen dat de weigering van de programma-aanbieders om via het wettelijke minimumpakket te worden uitgezonden, vanwege de ongewenste rasterwisselingen en het ontbreken van zekerheid over de uitzending in verband met de jaarlijkse advisering door de programmaraad, de conclusie rechtvaardigt dat door de aanbieder van een omroepnetwerk een beroep kon worden gedaan op het bestaan van een zwaarwichtige reden om af te wijken van het advies van de programmaraad. De onzekerheid die de jaarlijkse advisering door de programmaraden voor de programma-aanbieders en de aangeslotenen met zich brengt is, naar de opvatting van de Afdeling, een omstandigheid waarmee een aanbieder van een omroepnetwerk rekening mag
houden. In de uitspraak van 31 oktober 2007 hecht de Afdeling evenwel grote waarde aan de actualiteit van een programmaraadadvies en verbindt de Afdeling de geldigheidsduur van dat advies derhalve onlosmakelijk met de inhoud daarvan en staat aldus de aanbieder van een omroepnetwerk slechts ingeval van zwaarwichtige redenen toe van de in dat advies opgenomen geldigheidsduur af te wijken.
Gezien het bovenstaande zijn naar het oordeel van het Commissariaat de aangeslotenen meer gebaat bij een actuele samenstelling van het programmapakket dan bij het voorkomen van de "last" van een jaarlijkse immer beperkte rasterwisseling. Van een zwaarwichtige reden om van de in het Advies opgenomen geldigheidsduur af te wijken is naar het oordeel van het Commissariaat geen sprake. De belangenafweging tussen de programma-aanbieder die gedurende twee jaren in de gelegenheid wordt gesteld zijn programma uit te zenden en de programma-aanbieder die een jaar langer moet wachten om mogelijk door de programmaraad voor uitzending geadviseerd te worden is weliswaar door UPC op naar het oordeel van het Commissariaat redelijke gronden in het voordeel van eerstgenoemde programma-aanbieder beslecht, maar dient, wederom naar het oordeel van het Commissariaat, te wijken voor het
grotere belang van de actualiteit van de samenstelling van het pakket. Van een zwaarwichtige reden om van de in het Advies opgenomen geldigheidsduur af te wijken is naar het oordeel van het Commissariaat geen sprake. Handhaving Het handhavingverzoek van de APR betreft het niet volgen van het Advies voor de periode
van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007. Inmiddels heeft UPC aan het advies van de APR voor de periode van 1 juni 2007 tot en met 30 juni 2008 gevolg gegeven en ligt het Advies Kabelplan Radio 1 juli 2008 t/m 30 juni 2009 voor. Aan het verzoek van bestuursrechtelijke handhaving door het Commissariaat is daardoor het belang ontvallen.

Besluit
1. Het Commissariaat verklaart de bezwaren van de APR gegrond.
2. Het Commissariaat wijst het verzoek af om bestuursrechtelijke handhaving van het
gestelde in artikel

 

Bron: Kabelraden.nl/Commissariaat voor de Media