Nieuws

Gemeente Achtkarspelen hoeft geen subsidie te verlenen aan programmaraad Friesland

De rechtbank in Leeuwarden heeft het beroep van de programmaraad tegen het niet verlenen van subsidie door de gemeente Achtkarspelen afgewezen. Volgens de rechtbank zijn er geen bepalingen in de (media)wet die de gemeente dwingen de programmaraad te ondersteunen.

De gemeente Achtkarspelen heeft als enige van de negen gemeenten die de programmaraad financieel ondersteunen in Friesland, besloten de programmaraad geen subsidie te verstrekken over 2005. Dit brengt de programmaraad in de problemen aangezien de 9 gemeenten een solidaiteitsafspraak hadden gemaakt. Door het besluit van Achtkarspelen kunnen de overigen gemeenten ook afzien van de programmaraad financieel te ondersteunen.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht d.d. 4 oktober 2006



inzake



Programmaraad Friesland,

gevestigd te Oentsjerk,

eiseres,

gemachtigde: mr. C. Kaaks, advocaat te Amsterdam,



tegen



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen,

verweerder,

gemachtigde: mr. R. van der Heide, werkzaam bij verweerders gemeente.



Procesverloop



Bij brief van 16 december 2005 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de afwijzing van haar subsidieverzoek.



Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.



De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 2 oktober 2006. Eiseres heeft zich daarbij doen vertegenwoordigen door haar penningmeester en eerder tevens secretaris [naam], bijgestaan door mr. Kaaks voornoemd. Verweerder is verschenen bij zijn voornoemde gemachtigde.



Motivering



Eiseres is een instelling zoals bedoeld in artikel 82k en verder van de Mediawet, ingesteld door de raden van de gemeenten Tytsjerksteradiel, Smallingerland, Heerenveen, Boarnsterhim, Ferwerderadiel, Leeuwarderadeel, Leeuwarden, Menaldumadeel en Achtkarspelen, en belast met het adviseren aan de aanbieder van het omroepnetwerk in die gemeenten (UPC) welke televisie- en radioprogramma's voor algemene omroep ten minste dienen te worden uitgezonden, zulks met het oog op een pluriforme samenstelling van het programmapakket in het licht van de in de betrokken gemeenten levende behoeften.



Bij besluit van 23 augustus 2004 heeft verweerder eiseres over het jaar 2004 een subsidie toegekend ten bedrage van 1.400,--, onder de mededeling dat eventuele subsidiring in volgende jaren zou afhangen van de activiteiten van eiseres, alsmede de financile positie van de gemeente.



Bij brief van 28 juni 2005 heeft eiseres verweerder verzocht haar over het jaar 2005 opnieuw een subsidie toe te kennen van 1.400,--.



Bij besluit van 25 juli 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat de activiteiten van eiseres haar wettelijke taakomschrijving aanzienlijk overschrijden, als gevolg waarvan meer kosten zijn gemaakt dan strikt noodzakelijk. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat de slechte financile positie van de gemeente hem er toe dwingt om keuzes te maken en de prioriteiten thans niet liggen op het terrein waarop eiseres zich beweegt.



Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend, dat bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Wel is, overeenkomstig het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften, de motivering voor het weigeren van de subsidie in die zin aangepast dat thans enkel de financile positie van de gemeente daaraan ten grondslag is gelegd.



In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit om verschillende redenen niet in stand kan blijven. In de eerste plaats is naar haar mening sprake van een zodanige wijziging van de grondslag van de weigering, dat het primaire besluit vernietigd had moeten worden en een nieuw besluit had moet worden genomen. Nu dat niet is gebeurd, is eiseres in een slechtere processuele positie gebracht dan wanneer zij tegen een nieuw primair besluit verweer had kunnen voeren. Inhoudelijk meent eiseres dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom hij zich als enige van de negen gemeenten die het werkterrein van eiseres vormen, onttrekt aan subsidiring. Verweerder heeft bovendien ten onrechte nagelaten het voornemen om het subsidieverzoek af te wijzen te overleggen met deze andere gemeenten. Eiseres is daarnaast van mening dat uit de Mediawet wellicht niet naar de letter een verplichting tot het verlenen van subsidie voortvloeit, maar uit de geest van de wet zeker wel. In dit verband heeft eiseres verwezen naar een brief van 19 mei 2005 van de Minister van Economische Zaken en van de Staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waarin deze hebben uitgesproken dat het naar hun mening de taak van de gemeenten is om, al dan niet in samenwerking met de kabelexploitanten, zorg te dragen voor de decentrale ondersteuning van de programmaraden.



De rechtbank overweegt als volgt.



Het begunstigende karakter van een subsidie brengt met zich dat verweerder in beginsel een grote mate van vrijheid toekomt bij de beoordeling aan wie, onder welke voorwaarden en tot welk bedrag subsidie zal worden toegekend. De weigering om subsidie te verlenen kan door de rechter derhalve slechts terughoudend worden getoetst.



Het bovenstaande is slechts anders indien een wettelijk voorschrift tot het verlenen van de gevraagde subsidie verplicht. Van een dergelijke verplichting is in het onderhavige geval echter geen sprake. Weliswaar bepalen de artikelen 82k en 82l Mediawet dat de gemeenteraad in gemeenten waar een omroepnetwerk aanwezig is een programmaraad dient in te stellen en dat de gemeenteraad de leden van de programmaraad benoemt, maar uit deze artikelen noch uit de overige bepalingen van de Mediawet kan een verplichting voor het gemeentebestuur worden afgeleid om de programmaraad te subsdiren.

Een dergelijke verplichting kan ook niet zijdelings worden afgeleid uit de strekking van de Mediawet, zoals die bijvoorbeeld blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van deze wet of uit de door eiseres aangehaalde brief van 19 mei 2005. Wat er ook zij van het in deze stukken verwoorde standpunt van de betrokken ministers en staatssecretarissen dat op de gemeenten een verantwoordelijkheid of zorgplicht rust voor de ondersteuning van de programmaraad, dit standpunt heeft, zoals gezegd, niet geleid tot een in de wet opgenomen verplichting tot subsidiring. Voor zover er al uit de Mediawet een zorgplicht voor het gemeentebestuur kan worden afgeleid, moet derhalve worden aangenomen dat deze er hooguit toe strekt dat het gemeentebestuur er voor dient zorg te dragen dat er geen situatie ontstaat waarin de programmaraad haar wettelijk opgedragen advisering niet naar behoren kan verrichten. Er is evenwel niet gebleken dat de weigering van verweerder om de gevraagde subsidie te verlenen tot een dergelijke situatie heeft geleid of zal leiden. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiseres haar werkzaamheden al sinds 1997 verricht, terwijl zij eerst in 2004 om subsidiring heeft gevraagd, zonder dat -voor zover is gebleken- sprake is geweest van een relevante wijziging in de omstandigheden. Vast staat bovendien dat eiseres ook financile ondersteuning ontvangt van UPC, de aanbieder van het omroepnetwerk in de betrokken gemeenten.



Aan het besluit van verweerder om over 2004 wel subsidie te verlenen, kon eiseres voorts niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zij daarop ook over de jaren daarna aanspraak zou kunnen maken. Verweerder heeft in het besluit van 23 augustus 2004 immers aangegeven dat verlenging van de subsidie geen automatisme zou zijn, maar afhankelijk was van de wijze waarop eiseres haar werkzaamheden uitvoerde en van de financile positie van de gemeente. Dat laatste is thans voor verweerder reden geweest om de subsidie te weigeren. Daarmee is verweerder niet buiten de grenzen van de redelijkheid getreden. Ter zitting heeft verweerder genoegzaam duidelijk gemaakt dat de gemeente Achtkarspelen er financieel gezien slecht voorstaat en dat om die reden gekozen is om de schaarse gelden die nog voor subsidies beschikbaar zijn te besteden aan projecten ter bestrijding van werkloosheid, en niet langer aan activiteiten en instellingen op het gebied van bijvoorbeeld sport of cultuur. Dat zijn keuzes die de rechtbank heeft te respecteren.



De rechtbank merkt in verband met het voorgaande nog op dat de motivering van het bestreden besluit niet zodanig ten opzichte van die van het primaire besluit is gewijzigd dat verweerder dat primaire besluit had moeten herroepen. Ook aan het primaire besluit lag immers mede de slechte financile positie van de gemeente ten grondslag. Het bestreden besluit is derhalve niet in strijd met artikel 7:11 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen.



Tot slot overweegt de rechtbank dat het wellicht om praktische redenen van afstemming voor de hand zou hebben gelegen als verweerder zijn voornemen tot het niet verlenen van de gevraagde subsidie zou hebben meegedeeld aan de andere betrokken gemeenten. Dat er sprake is van een zeker samenwerkingsverband tussen de gemeente Achtkarspelen en deze andere gemeenten betekent echter nog niet dat verweerder niet zelfstandig tot weigering van de gevraagde subsidie kon overgaan. Ook in zoverre is het bestreden besluit derhalve niet in strijd met enige rechtsregel tot stand gekomen.



Gelet op al het voorgaande is het beroep ongegrond.



Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing



De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.



Aldus gegeven door mr. J. van Bruggen, rechter, en op 4 oktober 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.J.T. Harkema als griffier.



w.g. A.J.T. Harkema w.g. J. van Bruggen



Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Algemene wet bestuursrecht.



Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van de uitspraak te zenden aan:



de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag



In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Artikel Leeuwarder Courant

Download 10881_lc111006-1.pdf

Download 10844_uitspraakachtkarspelen.doc

Bron: Rechtbank Leeuwarden/Kabelraden.nl

Reacties:

Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.

Reageer

Let op: verplichte velden zijn gemarkeerd (*)

Code invoeren
Neem deze code over in het onderstaande veld
Algemeen
Mail toekomstige reacties naar mij.