Rapporten en onderzoeken

Reactie van VECAI op wetswijziging

De Vecai (Vereniging van Kabelexploitanten) heeft als reactie op het het Wetsvoorstel wijziging Mediawet haar standpunt hierover naar de kamer gestuurd. De VECAI pleit er in haar reactie naar de kamer voor de adviesbevoegdheid van de programmaraden niet uit te breiden. Terwijl de programmaraden er juist voor pleiten de bevoegdheid uit te breiden. De kamer zal zich na haar reces in mei waaeschijnlijk over de wijziging van de mediawet uitspreken.



Met de volgende argumentatie komt de VECAI(bron www.vecai.nl):

1. Het wetsvoorstel is onduidelijk

De regering acht het ongewenst dat de doorgifteplicht wordt uitgebreid naar commercile tv-zenders. Dit zou een aanzienlijk groter beslag leggen op beschikbare kabelcapaciteit en bovendien leiden tot een onevenwichtige onderhandelingspositie tussen commercile omroepen en kabelexploitanten. In de huidige situatie vallen commercile omroepen in veel gevallen wel degelijk onder de doorgifteplicht, namelijk in die gevallen waarin de programmaraad hen in het verplicht te volgen advies m.b.t. het wettelijk minimumpakket van 15 programmas opneemt. Inderdaad is er sprake van een onevenwichtige onderhandelingspositie en een ongewenst groot beslag op netwerkcapaciteit. De onevenwichtigheid doet zich bovendien net zo zeer voor in de onderhandelingspositie tussen publieke omroepen en kabelexploitanten. Wij zijn het zeer met de regering eens dat deze onevenwichtigheid als gevolg van doorgifteplichten zo veel mogelijk moet worden voorkomen. In de huidige mediawettelijk regeling is op dit punt veel te verbeteren. In de voorgestelde regeling wordt de onevenwichtigheid ten aanzien van lokale omroepen nog verder vergroot.

De voorliggende wijziging van de Mediawet voorziet onder meer in een wijziging van de mediawettelijke doorgifteverplichtingen voor kabelbedrijven. Indien een lokale omroep, naast het gebruikelijke programma voor algemene omroep, andere programmas voor algemene omroep verzorgt die zijn gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder minderheden, zijn kabelbedrijven verplicht hiervoor ten hoogste twee kanalen ter beschikking te stellen. Het is onduidelijk of dit betekent dat het wettelijke minimumpakket wordt uitgebreid van 15 naar 17. Indien dat het geval is behelst het wetsvoorstel niet alleen een wijziging van de inhoud van de doorgifteverplichtingen, maar ook een uitbreiding van de doorgifteverplichtingen van 15 naar 17. Voor wat radio betreft wordt in het wetsvoorstel bovendien de mogelijkheid geschapen voor maximaal 5 toegangsomroepen, bovenop het wettelijk basispakket (van 25 kanalen).

Op grond van de huidige Mediawet is het Commissariaat voor de Media bevoegd verzoeken om bestuursrechtelijke handhaving in behandeling te nemen die betrekking hebben op situaties waarin een kabelbedrijf is afgeweken van een advies van het advies van de programmaraad met betrekking tot het wettelijk minimumpakket (15 tv- en 25 radiokanalen). De rechtbank te Haarlem heeft in de zaak IJmond TV vs. CvdM vastgesteld dat de (huidige) wettelijke formulering, die aldus luidt dat een kabelexploitant "alleen om zwaarwichtige redenen mag afwijken" van een programmaraadadvies, het Commissariaat (nadrukkelijk) niet de bevoegdheid geeft om over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving in een situatie waarin de kabelexploitant het advies van de programmaraad heeft gevolgd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de omstandigheid dat het Commissariaat zich daartoe in zijn beleidsregels wl bevoegd heeft geacht daaraan niet afdoet. Het voorgestelde nieuwe artikel 82k Mediawet is aldus geredigeerd dat het Commissariaat die bevoegdheid (alsnog) toegekend lijkt te krijgen. Als gevolg hiervan zou elke programma-aanbieder na elk afgegeven advies het Commissariaat kunnen verzoeken over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving jegens, en dus het opleggen van een boete aan, de kabelexploitant indien deze programma-aanbieder van mening is dat zich zwaarwichtige omstandigheden voordoen op grond waarvan de kabelexploitant van dat advies had moeten afwijken. Het Commissariaat moet in elk van deze gevallen toetsen of deze zwaarwichtige omstandigheden zich inderdaad voordoen. Hiermee worden zowel de kabelexploitant als het Commissariaat geacht de pluriformiteitstoets, ten aanzien waarvan het primaat bij de programmaraad berust en ten aanzien waarvan het Commissariaat in slechts een terughoudende, marginale toetsing op zijn plaats te achten, zelf uit te voeren, en aldus het werk van de programmaraad "over te doen". Een probleem doet zich vervolgens nog voor indien dit er daadwerkelijk toe zou leiden dat (om zwaarwichtige redenen) door de kabelexploitant van het programmaraadadvies zou worden afgeweken ten gunste van het programma van een (niet in dat advies opgenomen) programma-aanbieder. Gelet op de beperkte capaciteit van de paketten, zal in die situatie immers een wl in dat advies opgenomen programma plaats moeten maken. Het systeem van de wet brengt met zich mee dat de programmaraad een advies dient uit te brengen omtrent het programma dat moet wijken. Ten aanzien van het aldus aangewezen programma dient, volgens het wetsvoorstel, de kabelexploitant vervolgens door middel van een (uitvoerige) inhoudelijke toetsing te bepalen of zich zwaarwichtige redenen (zouden kunnen) voordoen op basis waarvan van dit (mini-)advies van de programmaraad moet worden afgeweken. Naar aanleiding van het besluit van de kabelexploitant kan de aangewezen (wijkende) programma-aanbieder vervolgens weer een verzoek om bestuursrechtelijke handhaving jegens de kabelexploitant indienen, gegrond op het standpunt dat de kabelexploitant wegens zwaarwichtige redenen van dat advies had moeten afwijken. Op deze wijze ontstaat er mogelijk een oneindige reeks van procedures. Bij elk van deze procedures riskeert (alleen) de kabelexploitant een boete, hetgeen temeer onredelijk is indien bedacht wordt dat het steeds gaat om door programmaraden, op grond van de op hen rustende taken en bevoegdheden en als specifieke daartoe ingestelde en gespecialiseerde instantie, afgegeven adviezen. De kabelexploitanten worden aldus gestraft voor (mogelijk) onzorgvuldige of onjuiste besluitvorming door de programmaraden, terwijl de programmaraden hier zelf geen gevolgen van ondervinden.



VECAI hoopt dat de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer in ieder geval klip en klaar zal maken dat:

a) er gn sprake is van uitbreiding van het aantal must carry-zenders, noch van een uitbreiding van het wettelijk minimumpakket;

b) er gn bevoegdheid voor het Commissariaat voor de Media wordt geschapen om handhavend op te treden naar aanleiding van verzoeken om bestuursrechtelijke handhaving die voortkomen uit het volgen van een programmaraadadvies door een kabelexploitant.

2. Het wetsvoorstel strookt niet met de nieuwe Europese regelgeving

Op 24 april 2002 is het nieuwe Europese regelgevingskader voor elektronische communicatie gepubliceerd en van kracht geworden. De richtlijnen introduceren n nieuw regelgevingskader voor alle transmissienetwerken. Lidstaten hebben tot 24 juli 2003 de tijd om de nieuwe Europese richtlijnen te implementeren in nationale regelgeving.

De kabelinfrastructuur is een transmissienetwerk dat valt onder het nieuwe Europese kader. Met name artikel 31 van de Universele dienstrichtlijn heeft gevolgen voor de mediawettelijke doorgifteverplichtingen voor kabelbedrijven. Doorgifteverplichtingen kunnen alleen worden opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om duidelijk omschreven doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken. Bovendien moeten zij evenredig en transparant zijn. Volgens de engelse tekst van artikel 31 UD zijn verplichtingen onderworpen aan een periodical review.

Tijdens de implementatietermijn hebben europese richtlijnen sperrwirkung. Dit houdt in dat lidstaten slechts wetgevende bevoegdheid hebben ten aanzien van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de implementatie van de richtlijn. Het is lidstaten verboden maatregelen in te voeren die in strijd zijn met de bepalingen van de richtlijn, ook al is de implementatietermijn nog niet verstreken. Hoewel de implementatietermijn van de Europese richtlijnen ten tijde van het indienen van het onderhavige wetsvoorstel reeds liep werd er in het wetsvoorstel niet aan de richtlijnen gerefereerd. De Tweede Kamer heeft in dit verband vragen gesteld waarop de staatssecretaris van de regering in de nota naar aanleiding van het verslag heeft geantwoord. De regering stelt dat de implementatie via een ander wetsvoorstel wordt geregeld en dat bij de ambtelijke voorbereiding van dat wetsvoorstel is geconcludeerd dat de in de Mediawet geregelde doorgifteplicht voldoet aan artikel 31 UD richtlijn.

Echter, bij de ambtelijke voorbereiding van het wetsvoorstel ter implementatie van Europese richtlijnen is gekeken naar de huidige doorgifteplicht. De onderhavige wijziging/uitbreiding van de doorgiftepicht is niet aan artikel 31 UD richtlijn getoetst. Ons inziens voldoen de huidige en de onderhavige wijziging/uitbreiding van de doorgifteplicht niet aan artikel 31 UD richtlijn. Gelet op de sperrwirkung kan de huidige doorgifteplicht slechts tot 24 juli 2003 in stand blijven en kan de voorgestelde wijziging/uitbreiding niet worden ingevoerd.

Artikel 31 UD richtlijn dwingt onder meer tot een evenredigheidstoets van de doorgifteplicht. Dat betekent dat de doorgifteplicht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk ter verwezenlijking van het beoogde doel. Indien een lichtere maatregel tot hetzelfde resultaat leidt moet voor die lichtere maatregel gekozen worden. Veel van de programmas die onder de doorgifteplicht vallen zouden ook zonder verplichting worden doorgegeven. In die gevallen kan een doorgifteplicht de evenredigheidstoets niet doorstaan.

De regering stelt in de MvT dat met de wijziging/uitbreiding van de doorgifteplicht de situatie in de vier grote steden wordt gedekt en daarmee de facto voor de positie van de kabelexploitanten geen gevolgen heeft ten opzichte van de huidige situatie. Dit bewijst dat het opleggen van een doorgifteplicht niet noodzakelijk is ter verwezenlijking van het beoogde doel. De verplichting is derhalve niet evenredig.



VECAI stelt voor dat de Mediawet zo snel mogelijk in lijn wordt gebracht met de op 24 juli a.s. te implementeren Europese richtlijnen. Concreet betekent dat, dat:

a) de overheid het algemeen belang zal definiren waaraan doorgifteverplichtingen moeten worden getoetst

b) de evenredigheidstoets van doorgifteverplichtingen zal plaatsvinden en bovendien wordt geregeld dat dit proces periodiek wordt herhaald.

3. Het wetsvoorstel houdt geen rekening met de gevolgen voor kabelexploitanten

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet is in het geheel niet met de kabelsector besproken. Ook voor de beantwoording van de kamervragen in de Nota naar Aanleiding van het Verslag is door de regering geen contact gezocht met VECAI of individuele kabelbedrijven. Dit wreekt zich op verschillende onderdelen. Met name de consequenties van het wetsvoorstel voor kabelbedrijven zijn hierdoor onjuist ingeschat.

Indien het wetsvoorstel inderdaad een uitbreiding van de doorgifteplicht behelst zal dat voor kabelbedrijven hoge kosten met zich mee kunnen brengen. Veel kabelbedrijven hebben momenteel bij consumenten filters genstalleerd die zijn ingesteld op het huidige wettelijke minimumpakket van 15 zenders. Een uitbreiding naar 17 betekent dat nieuwe filters moeten worden ontworpen en genstalleerd. Het wetsvoorstel heeft hiermee geen rekening gehouden.

De verwijzing van de regering naar het VECAI Glas Plan is onjuist. In die notitie geven wij aan dat vanuit technisch oogpunt de capaciteit van kabelnetten belangrijk kan groeien. Deze groei zal vooral de snelheid van de internetverbindingen betreffen. Om die groei te realiseren is echter nodig dat er een gelijk speelveld ontstaat tussen kabel en zijn concurrenten, zodat investeerdersbereidheid toeneemt. Zolang kabel afwijkend wordt gereguleerd volgens een technologie afhankelijke mediawet is van een gelijk speelveld geen sprake. Een correcte implementatie van het nieuwe Europese kader zou voor een gelijk speelveld moeten zorgen (hier komen we uiteraard in een latere fase op terug, als het parlement de implementatie van de Europese richtlijnen gaat behandelen).



VECAI stelt voor dat indien er onverhoopt toch sprake zal zijn van uitbreiding van de must caary verplichtingen (die naar haar mening evenwel onrechtmatig zal zijn met het oog op de Europese regelgeving), kabelexploitanten zullen worden gecompenseerd voor de te maken kosten.

Download 447_vecai-standpunt_tav_wetsvoorstel_wijziging_mediawet.pdf

Reacties:

Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.

Reageer

Let op: verplichte velden zijn gemarkeerd (*)

Code invoeren
Neem deze code over in het onderstaande veld
Algemeen