Jurisprudentie

UPC moet Arte doorgeven in Rotterdam

Jurisprudentie

Het Commissariaat voor de Media heeft het bezwaar van de programmaraad Rotterdam tegen een eerdere uitspraak over het doorgeven van Arte door UPC gegrond verklaard. In de eerste uitspraak ging het Commissariaat ervan uit dat het feit dat UPC en Arte niet tot overeenstemming konden komen over de regeling van de auteursrechten ervoor zorgde dat UPC feitelijk niet in staat was de auteursrechten te regelen. En het niet kunnen regelen van de auteursrechten is een zwaarwichtige reden om af te wijken van het advies.

In de uitspraak op het bezwaarschrift volgt het Commissariaat het uitgangspunt van de programmaraad, namelijk dat hier geen sprake was van niet kunnen, maar van niet willen regelen door UPC. En dat is volgens het Commissariaat geen zwaarwichtige reden om van het advies af te wijken.

Toelichting
De programmaraad Rotterdam had bezwaar aangetekend tegen de eerste uitspraak met de volgende redenering. Het Commissariaat dient ervoor zorg te dragen dat niet al te lichtvaardig van een programmaraadadvies kan worden afgeweken. Maar de programmaraad stelt de vraag of in dit geval werkelijk sprake is van niet kunnen, of niet willen regelen van auteursrechten door UPC.

De derdenrechten kunnen worden geregeld via de zogeheten Kaderovereenkomst, waar Arte ook onder valt. UPC heeft deze overeenkomst niet ondertekend, maar andere kabelexploitanten maken wel degelijk gebruik van de overeenkomst om de doorgifte van Arte te regelen. En zelfs als UPC geen gebruik wil maken van de kaderovereenkomst kan zij via BUMA aan Arte een vergoeding betalen.

UPC stelt daartegenover dat, indien UPC en Arte geen overeenstemming over het regelen en voldoen van de auteursrechten kunnen bereiken, een programmaraadsadvies daar geen wijziging in kan brengen. Van de kaderovereenkomst kan slechts gebruik worden gemaakt indien daaraan voorafgaand een doorgifte-overeenkomst is gesloten tussen UPC en Arte. Die overeenkomst ziet ook op de vraag wie in de onderlinge relatie de kosten van de auteursrechten moet dragen. En daarover kunnen UPC en Arte nu juist geen overeenstemming bereiken.

Standpunt Commissariaat
Bij het bestreden besluit heeft het Commissariaat geoordeeld dat UPC zwaarwichtige redenen heeft het niet kunnen regelen van de auteursrechten om ten aanzien van het programma Arte af te wijken van het advies van de programmaraad. Het regelen van de auteursrechten zou immers betekenen dat UPC door het Commissariaat gedwongen wordt de Kaderovereenkomst te ondertekenen.

Het Commissariaat komt nu tot het volgende standpunt.

Op grond van de Kaderovereenkomst verkrijgt de aanbieder van het omroepnetwerk toestemming tot openbaarmaking van film- en muziekwerken van derden, die zijn opgenomen in de programmas van aanbieders die voorkomen op de aan deze overeenkomst gehechte lijst. De rechthebbenden van deze film- en muziekwerken geven deze toestemming aan de aanbieder van een omroepnetwerk als vooraf met de aanbieder van het desbetreffende programma een doorgifte-overeenkomst is gesloten. Arte heeft aan UPC toestemming verleend om dat programma uit te zenden. Volgens het Commissariaat is het aannemelijk dat UPC, na het verkrijgen van toestemming van Arte, een vergoeding betaalt aan rechthebbenden. Het verkrijgen van toestemming tot openbaarmaking en het vervolgens betalen van de vergoeding daarvoor kan geschieden door medeondertekening van de Kaderovereenkomst dan wel door rechtstreeks een overeenkomst te sluiten met de rechthebbenden of hun vertegenwoordiger(s) in Nederland.

Het Commissariaat is gezien het bovenstaande van oordeel dat het sluiten van een doorgifte-overeenkomst tussen Arte en UPC noch slechts in de weg wordt gestaan door de onwil van UPC. Hierbij betrekt het Commissariaat de omstandigheid dat UPC, door activiteiten te ontplooien die onderworpen zijn aan een in de Mediawet geregeld regime, zich willens en wetens blootstelt aan de gevolgen van een (hem al dan niet welgevallig) programmaraadsadvies. Het Commissariaat betrekt hierbij tevens dat UPC op geen enkele wijze aangetoond heeft dan wel aannemelijk gemaakt dat de betaling van de vergoeding voor uitzending van Arte (0,055 euro per maand per abonnee) de financieel economische exploitatiemogelijkheden van haar omroepnetwerk in gevaar brengt.

Van een zwaarwichtige reden om af te wijken van het advies is geen sprake, nu de wetgever heeft willen voorkomen dat de aanbieder van een omroepnetwerk door opvolging van het programmaraadsadvies in strijd met de Mediawet dan wel een andere wettelijke bepaling zou handelen, indien een programma-aanbieder geen toestemming geeft voor uitzending van zijn programma in het wettelijk minimumpakket. Arte heeft die toestemming wel verleend. Ter staving van het oordeel van het Commissariaat dat sprake is van een door UPC niet willen regelen van de auteursrechten speelt ook een rol dat enkele andere aanbieders van een omroepnetwerk Arte in hun televisieprogrammapakket hebben opgenomen.

Besluit
Het Commissariaat besluit het bezwaar van de programmaraad gegrond te verklaren, zonder UPC te verplichten het advies, dat betrekking had op de periode 2003-2004, op te volgen. In het advies 2004-2005 is het programma Arte niet meer opgenomen in het wettelijk minimumpakket.

Download 3936_uitspraak_beroep_arte.doc

Reacties:

Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.

Reageer

Let op: verplichte velden zijn gemarkeerd (*)

Code invoeren
Neem deze code over in het onderstaande veld
Algemeen