Jurisprudentie
Raad van State stelt Commissariaat in het ongelijk in
Vorige jurisprudentie
Programmaraden
Thema's
Op 28 juli heeft de Raad van State(RvS) uitspraak gedaan in de "Bollenstreek zaak. Het Commissariaat voor de Media was in beroep gegaan tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank in Den Haag. De uitspraak komt er op neer dat Casema door de RvS in het gelijk is gesteld. Dit betekent dat er dus in het geval van RTL en SBS terecht sprake is van een zwaarwichtige reden om af te wijken van het advies van de programmaraad. Deze zenders kunnen niet meer geadviseerd worden door "Casema-programmaraden".
Toelichting
De programmaraad Bollenstreek had in zijn advies van 14 juni 2002 o.a. de zenders van SBS en HMG opgenomen. Casema heeft de programmaraad laten weten het advies wat betreft deze zenders niet over te nemen.
Casema melde dat de zenders van HMG en SBS afzagen van doorgifte in het basispakket, maar alleen nog opgenomen wilden worden in het standaardpakket. (NB: Casema is de enige kabelexploitant waar daadwerkelijk een fysieke scheiding tussen basis- en standaardpakket bestaat).
Voor doorgifte in het standaardpakket had Casema een overeenkomst met de zenders afgesloten.
De zenders willen niet in het basispakket omdat dit ongewenste rasterwisselingen tot gevolg kan hebben en bovendien de zekerheid over gezamenlijke doorgifte van de programmas ontbreekt, in verband met de jaarlijkse advisering door de programmaraad. Zij hebben daarom gekozen voor een meerderjarige gezamenlijke doorgifte (drie jaar) in het ruimere standaardpakket.
De programmaraad heeft vervolgens handhaving van het advies gevraagd bij het CvdM. De programmaraad werd in het gelijk gesteld.
Caserma is in beroep gegaan bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van toestemming van de zenders voor doorgifte via het basispakket een zwaarwichtige reden vormde voor Casema om af te wijken van het advies van de programmaraad.
Het CvdM heeft deze uitspraak aangevochten bij het hoogste beroepsorgaan: de Raad van State.
Uitspraak Raad van State
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat er verschillende zwaarwichtige reden kunnen zijn om van het advies van de programmaraad af te wijken.
Zo kan de kabelexploitant van het advies afwijken indien het in strijd met het recht zou komen (bijvoorbeeld indien het een illegaal programma betreft waarvoor geen binnen- of buitenlandse toestemming is gegeven), een van de verplicht door te geven programmas niet in het advies is opgenomen of bijvoorbeeld als de programmaraad een onvoldoende pluriform pakket adviseert.
De Raad van State leidt hieruit af dat de wetgever heeft willen voorkomen dat de kabelexploitant door het advies in een positie wordt gebracht waarin hij door opvolging daarvan in strijd met (het doel of de strekking van) de Mediawet dan wel andere wettelijke bepalingen zou handelen. In een zodanige positie kan zich ook een kabelexploitant bevinden als een programma-aanbieder geen toestemming geeft voor uitzending van zijn programmas in het basispakket, welke situatie vergelijkbaar is volgens de Raad van State met het ontbreken van auteursrechtelijke toestemming.
Gelet ook op de door de programma-aanbieders genoemde bezwaren tegen doorgifte in het basispakket en hun bezwaren tegen de door het Commissariaat aangedragen alternatieve contracteerwijze bestaat er geen grond voor het oordeel dat er voor Casema mogelijkheden waren om te bewerkstelligen dat de programmas in het basispakket worden doorgegeven.
Anders dan de Rechtbank is de Raad van State van oordeel dat op Casema in dit geval geen (inspannings)verplichting rustte om met de programma-aanbieders in onderhandeling te treden over opname in het basispakket. Daarbij verwijst men ook naar andere uitspraken van het Commissariaat waarin het standpunt wordt ingenomen dat in het geval een programma-aanbieder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat is gekozen voor een andere wijze van verspreiding dan via het basispakket, sprake is van een zwaarwichtige reden om af te wijken van het advies. De RvS volgt het CvdM niet in zijn standpunt dat deze situatie zich van de andere situaties onderscheidt, omdat hier geen sprake is van een absolute weigering aangezien bij de programma-aanbieders wel de wil bestaat voor een zo groot mogelijk bereik. In beide gevallen willen zenders, om hun moverende redenen, niet worden doorgegeven via het basispakket. De rechtbank is dan ook volgens de Raad van State, zij het op gedeeltelijke andere gronden, tot de juiste slotsom gekomen. Het beroep van het Commissariaat wordt dan ook ongegrond verklaard.
Reacties:
Er is nog niet gereageerd, wilt u reageren? Vult u dan het onderstaande formulier in.
